Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9436

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/01145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/20.5

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/01145

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de erven J., met gekozen domicilie te T (hierna: de erven), tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen T van de rijks-belastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan wijlen de heer J. (hierna: belanghebbende) voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelas-ting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 29 november 2000 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. S., verbonden aan het kantoor te T van D Belastingadviseurs, als gemachtigde van de erven, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. C, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelasting-dienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 13 december 2000, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar binnenlands inkomen van

fl. 343.343,=;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de erven tot een bedrag van

fl. 2.662,50 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon

die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan de erven het door hen betaalde griffierecht ad

fl. 75,= wordt vergoed.

De gronden

(1) Vaststaat dat belanghebbende, ondanks het feit dat hij sinds 1980 in het genot was van een AAW/WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %, tot in 1989 arbeid als directeur ten behoeve van de B.V. heeft verricht. Op belanghebbende, die stelt dat in 1989 in deze situatie wijziging is gekomen, rust mitsdien de last dit laatste aannemelijk te maken. In dit van hem verlangde bewijs is belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur echter niet geslaagd. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende niets aannemelijk heeft gemaakt met betrekking tot het verloop van zijn ziekte in de loop der jaren en dat hij tot ultimo 1991 directeur van de B.V. is gebleven. In het licht van het vorenstaande acht het Hof evenmin aannemelijk dat in 1989 tussen belanghebbende en de B.V. mondeling is overeengekomen dat de B.V. in verband met de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende aan deze een aanvulling op diens AAW/WAO-uitkering zou verstrekken en is het Hof integendeel van oordeel dat de door belanghebbende in het onderhavige jaar van de B.V. ontvangen bedragen uitsluitend - nu niet is gesteld dat geheel of ten dele sprake is van een uitdeling van winst - de beloning vormen voor door hem in dat jaar als directeur ten behoeve van de B.V. verrichte arbeid. Dit laatste brengt met zich dat Nederland op grond van het verdrag met België bevoegd is evenbedoelde bedragen in de heffing van inkomstenbelasting te betrekken.

(2) Naar het oordeel van het Hof laten de onderste drie regels van bijlage 10 bij het vertoogschrift in redelijkheid geen andere uitlegging toe dan dat deze de vastlegging vormen van in het telefoongesprek van 24 oktober 1991 tussen de Inspecteur en belanghebbende gemaakte afspraken. Blijkens de onderste regel heeft de Inspecteur op het verzoek van belanghebbende om informatie over de toepassing van het verdrag met België in 1991 en volgende jaren geantwoord dat hij een dergelijk verzoek eventueel zou doorsturen naar de eenheid Particulieren/Ondernemingen Buitenland te (destijds) Brunssum. Hieruit leidt het Hof, dat geen reden heeft te betwijfelen dat evenbedoelde vastlegging juist en betrouwbaar is, af dat de Inspecteur in dit telefoongesprek uitdrukkelijk aan belanghebbende heeft kenbaar gemaakt geen standpunt in te nemen met betrekking tot de toepassing van het verdrag in 1991 en volgende jaren. Uit de aantekeningen van de Inspecteur op bijlage 11 bij het vertoogschrift inzake het op 30 oktober 1991 gevoerde telefoongesprek vermag het Hof niet af te leiden dat de Inspecteur in dat gesprek wèl een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de heffing in 1991. Het vorenstaande vindt naar het oordeel van het Hof steun in de als bijlage 2 bij het vertoogschrift tot de stukken behorende telefoon-notitie van de Inspecteur van 4 maart 1994, met betrekking tot welke notitie het Hof evenmin reden heeft te betwijfelen dat deze een juiste en betrouwbare weergave van het besprokene bevat. Volgens deze notitie immers heeft belanghebbende op die datum aan de Inspecteur gevraagd of er al (onderstreping door het Hof) duidelijkheid is voor wat betreft de kwalificatie en het heffingsrecht van de WAO-uitkering, waarmede gelet op de overige inhoud van deze notitie kennelijk de door belanghebbende als WAO-suppletie aangeduide betaling wordt bedoeld. Gelet op het vorenstaande kan belanghebbende met betrekking tot het jaar 1991 geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan de door de Inspecteur voor akkoord ondertekende brief van 4 november 1991 en evenmin aan de omstandigheid dat beide aangiften van belanghebbende voor het jaar 1990 op dit punt niet zijn gecorrigeerd.

(3) Gelet op hetgeen onder (1) is overwogen, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 1997, BNB 1997/309, dat belanghebbendes standpunt met betrekking tot zijn premieplicht voor de volksverzekeringen moet worden verworpen.

(4) Niet is in geschil dat het vastgestelde belastbare binnenlandse inkomen met het bedrag van de door belanghebbende in het onderhavige jaar betaalde alimentatie ad fl. 35.056,= moet worden verminderd tot fl. 343.343,=.

(5) Gelet op het vorenstaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Als regel brengt dit met zich dat de belanghebbende aanspraak op vergoeding van proceskosten heeft. De Inspecteur heeft er ter zitting op gewezen dat de erven de kwestie van de alimentatie voor het eerst in hun beroepschrift aan de orde hebben gesteld, doch het Hof vindt in die omstandigheid geen aanleiding af te wijken van de evenbedoelde hoofdregel, in aanmerking nemende dat het desbetreffende arrest van de Hoge Raad eerst na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar is gewezen. Het Hof stelt de door de erven gemaakte proceskosten, met inacht-neming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is fl. 2.662,50.

(6) Nu het beroep gedeeltelijk gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan de erven het door hen voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= te vergoeden.

(7) Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 13 december 2000 door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en M.W.C. Feteris, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 22 december 2000