Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9406

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
10-01-2001
Zaaknummer
KG C0000049/MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Typ. MB

Rolnr. KG C0000049/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

Vierde kamer, van 21 december 2000,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap

[APPELLANTE],

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

gemeente [gemeente],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

t e g e n :

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. de besloten vennootschap

[GEÏNTIMEERDE 2],

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,

procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 29 december 1999 ingeleide hoger beroep van het door de president van de rechtbank te Maastricht tussen principaal appellante, hierna: [appellante], als eiseres en principaal geïntimeerden, hierna respectievelijk: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], als gedaagden gewezen vonnis in kort geding van 17 december 1999 (nummer 52484/KG ZA 99-514).

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich onder de stukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerder genoemd exploot in hoger beroep gekomen, heeft [appellante] één grief voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

Daarop antwoordend hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de grief bestreden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben daarbij tevens voorwaardelijk incidenteel geappelleerd en onder aanvoering van enkele grieven geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis onder aanvulling c.q. verbetering van gronden.

In antwoord op het voorwaardelijk incidenteel appel heeft [appellante] de grief bestreden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het voorwaardelijk incidenteel appel.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De principale grief is gericht tegen het oordeel van de president dat het concurrentiebeding op 31 december 1997 zijn werking heeft verloren (r.o. 3.4. en 3.5.).

In het voorwaardelijk incidenteel appel wordt aan de orde gesteld het oordeel van de president dat een redelijke uitleg van het concurrentiebeding met zich brengt, dat het ook geldt voor concurrentiehandelingen van [geïntimeerde 1] ten opzichte van (o.a.) [zustervennootschap 1 van appellante], alsmede de vraag of [appellante] voldoende belang heeft bij handhaving en naleving van het concurrentiebeding.

4. De beoordeling

In het principaal en het voorwaardelijk incidenteel appel

4.1. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[geïntimeerde 1] is met ingang van 4 maart 1996 voor bepaalde tijd tot 31 december 1996 in dienst getreden van [appellante] in de functie van boekhoudkundig/

administratief medewerker.

Artikel 1 van de schriftelijke arbeidsoverkomst van

4 maart 1996 luidt voor zover relevant:

'a. De werknemer zal bij de werkgever in dienst treden per 4 maart 1996 en het dienstverband zal eindigen per 31 december 1996.

b. Indien na afloop van de overeengekomen duur de arbeidsovereenkomst door partijen wordt voortgezet zonder dat een schriftelijke andere regeling wordt getroffen, dan zal die voortzetting voor onbepaalde tijd zijn, waarbij ieder der partijen het recht zal hebben de arbeidsovereenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van tenminste 1 maand, onverminderd het bepaalde in de artikelen 1639i respectievelijk 1639j BW.'

In de arbeidsovereenkomst is in artikel 13 een concurrentiebeding opgenomen met de volgende inhoud:

'a. Het is de werknemer verboden binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van de dienstbetrekking in een gebied gelegen binnen een cirkel met als middelpunt het kantoor van werkgever en met een straal van 100 kilometer in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van de werkgever te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct hetzij indirect, hetzij daarin financieel in welke vorm dan ook belang te hebben, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, danwel daar anderszins belang bij te hebben.

b. Bij overtreding van het in voorgaande lid omschreven verbod, danwel een van de daarin omschreven verboden, verbeurt de werknemer ten behoeve van werkgever een direct opeisbare niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van f 1.000,= voor elke overtreding en voor elke dag dat de overtreding voortduurt.'

Per 31 december 1996 is het dienstverband voortgezet voor onbepaalde tijd. Er is toen niet opnieuw schriftelijk een concurrentiebeding aangegaan.

Bij brief van 26 juni 1999 heeft [geïntimeerde 1] de arbeidsovereenkomst opgezegd. Deze brief bevat onder meer de volgende passage:

'Conform de schriftelijke arbeidsovereenkomst d.d.

4 maart 1996 deel ik U mede dat werknemer '[geïntimeerde 1]' de arbeidsovereenkomst opzegt per heden

26 juni 1999 met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 1 maand bij mijn werkgever '[appellante]' gesitueerd te [woonplaats].'

Per 16 augustus 1999 is [geïntimeerde 1] als hoofd financiële administratie in dienst getreden van [geïntimeerde 2].

4.2. De standpunten van partijen

[appellante] is van mening dat [geïntimeerde 1] door in dienst te treden bij/te blijven van [geïntimeerde 2], een concurrent van een zustervennootschap van [appellante], te weten [zustervennootschap 1 van appellante] (hierna: [zustervennootschap 1 van appellante]), in strijd handelt met het voormelde concurrentiebeding en dat [geïntimeerde 2], hiervan wetend, onrechtmatig handelt jegens [appellante] door [geïntimeerde 1] in dienst te nemen en te houden.

[geïntimeerde 1] bestrijdt in de eerste plaats dat het concurrentiebeding nog geldt, omdat het na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet opnieuw schriftelijk is aangegaan. Voorts meent hij, dat het slechts gegolden heeft tussen hem en [appellante] en derhalve niet tussen hem en zustervennootschappen van [appellante], met name [zustervennootschap 1 van appellante], en bestrijdt hij dat er van overtreding van het beding sprake is. Tot slot is [geïntimeerde 1] van mening dat [appellante] geen redelijk belang heeft bij haar vorderingen, dat een belangenafweging in het voordeel van [geïntimeerde 1] moet uitvallen en dat [appellante] te lang met het instellen van haar vorderingen heeft gewacht.

4.3. De vordering van [appellante]

4.3.1. [appellante] vordert ook in hoger beroep - kort gezegd - dat het [geïntimeerde 1] verboden wordt gedurende een periode van een jaar, te rekenen vanaf 1 augustus 1999, in dienst te treden of te blijven van [geïntimeerde 2], althans anderszins te handelen in strijd met voormeld concurrentiebeding. Voorts vordert [appellante] dat het [geïntimeerde 2] wordt verboden gedurende voormelde periode een dienstverband met [geïntimeerde 1] aan te gaan of in stand te houden.

4.3.2. Nu de periode waarvoor [appellante] de beide verboden vraagt (van 1-8-'99 tot 1-8-'00) reeds is verstreken, heeft [appellante] geen belang meer bij toewijzing daarvan. Het belang van [appellante] bij

het hoger beroep is uitsluitend nog gelegen in de proceskostenveroordeling.

In het principaal appel

4.4. De principale grief

Naar de mening van [appellante] is de arbeidsovereenkomst van 4 maart 1996 na expiratie van de overeengekomen termijn stilzwijgend voor onbepaalde tijd voortgezet inclusief het concurrentiebeding.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn van mening dat er sprake is van een omzetting van een overeenkomst voor bepaalde tijd in een nieuwe overeenkomst voor onbepaalde tijd en niet van een stilzwijgende voortzetting van de overeenkomst.

Zij stellen zich op het standpunt dat het concurrentiebeding zijn werking heeft verloren, omdat het na

31 december 1996 niet opnieuw schriftelijk is overeengekomen.

4.4.1. In artikel 1 b van de arbeidsovereenkomst van

4 maart 1996 is door [appellante] en [geïntimeerde 1] reeds op voorhand een regeling getroffen voor de voortzetting van de arbeidsovereenkomst na afloop van de overeengekomen duur.

4.4.2. [appellante] en [geïntimeerde 1] hebben - nu niet anders is gesteld of gebleken - hun arbeidsverhouding na 31 december 1996 voor onbepaalde tijd voortgezet op basis van de bepalingen en voorwaarden van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd conform het bepaalde in het genoemde artikel 1 b. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 1] en [appellante] op enig moment de bedoeling hebben gehad om daarbij een uitzondering te maken voor artikel 13, het concurrentiebeding. Een andere schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 1 b hebben zij niet getroffen. Dit blijkt ook uit de ontslagbrief van [geïntimeerde 1] van 26 juni 1999, waarin hij naar de schriftelijke overeenkomst van 4 maart 1996 verwijst.

Het concurrentiebeding maakte derhalve deel uit van de voortgezette arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het opnieuw schriftelijk aangaan van het concurrentiebeding was dan ook niet aan de orde.

De onderhavige casus verschilt wezenlijk van die in het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemde arrest van het Hof te Amsterdam van 26 maart 1998, JAR 1998, 125. In dat arrest was immers sprake van beëindiging (automatische ontbinding zonder dat opzegging nodig was) van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en van het nadien aangaan van een nieuwe overeenkomst voor onbepaalde tijd.

4.4.3. Bij het vorenoverwogene is nog van belang dat [geïntimeerde 1] bij het aangaan van de overeenkomst voor bepaalde tijd de consequenties van het voor hem bezwarende beding heeft kunnen overwegen, ook voor de toen reeds voorziene voortzetting van de arbeidsover-eenkomst voor onbepaalde tijd. Gewijzigde omstandigheden waardoor het beding na afloop van de overeenkomst voor bepaalde tijd zwaarder op [geïntimeerde 1] is gaan drukken zijn gesteld noch gebleken.

Het concurrentiebeding gold derhalve naar het voorlopig oordeel van het hof ook voor de vanaf 1 januari 1997 voortgezette arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

4.4.4. De principale grief is gegrond.

In het voorwaardelijk incidenteel appel

4.5. Aan de voorwaarde voor het incidenteel appel is voldaan. Dit appel had echter niet ingesteld behoeven te worden, omdat de devolutieve werking van het (principaal) appel met zich brengt, dat het hof, indien het principale appel gegrond wordt bevonden, ambtshalve de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in eerste aanleg aan de orde gestelde, maar door de president buiten behandeling gelaten of verworpen weren moet behandelen voor zover deze relevant zijn voor het dictum in appel.

4.6. Het incidentele appel van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] handelt onder meer over de vraag of het concurrentiebeding zich uitstrekte tot de feitelijk door [geïntimeerde 1] verrichte werkzaamheden voor de zustervennootschappen van [appellante], te weten [zustervennootschap 1 van appellante], [zustervennootschap 2 van appellante] en [zustervennootschap 3 van appellante](hierna:

[zustervennootschap 3 van appellante]). Vaststaat, dat [geïntimeerde 2] en [zustervennootschap 1 van appellante] beiden een reclamebureau exploiteren. Vaststaat ook, dat [geïntimeerde 2] en [appellante] geen concurrerende bedrijven zijn.

4.6.1. Een concurrentiebeding beperkt de werknemer in zijn recht om na het einde van de dienstbetrekking werkzaam te zijn op de wijze die hem goeddunkt en kan hem dus treffen in een zwaarwegend belang, namelijk de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet. Ter bescherming van de werknemer is daarom aan een dergelijk beding door de wetgever een aantal formele eisen gesteld.

De bescherming van de werknemer brengt naar het oordeel van het hof tevens mee, dat de tekst van een overeengekomen concurrentiebeding in beginsel restrictief moet worden uitgelegd.

4.6.2. In het onderhavige geval zou dit betekenen, dat het concurrentiebeding alleen geldt voor [appellante] en niet voor haar zustervennootschappen, met name [zustervennootschap 1 van appellante]. Dit is immers niet uitdrukkelijk schriftelijk overeengekomen. Uit de doelomschrijving van [appellante] in het handelsregister, 'De exploitatie van- en de belegging en handel in onroerende goederen, effecten en andere vermogenswaarden en het verstrekken van zekerheden voor schulden van derden', valt niet en zeker niet zonder meer af te leiden dat het concurrentiebeding voor (alleen) [appellante] zinledig zou zijn.

Niet uit te sluiten valt, dat er in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden of van uitingen of gedragingen over en weer tussen partijen bij het aangaan van de overeenkomst, waaruit moet worden afgeleid dat het concurrentiebeding wél heeft te gelden voor de door [geïntimeerde 1] verrichte werkzaamheden voor de zuster-vennootschappen van [appellante]. De koptekst, '[appellante][appellante]', en voettekst van de arbeidsovereenkomst van 4 maart 1996

'[appellante][appellante] bestaat uit 3 divisies: [zustervennootschap 1 van appellante] [zustervennootschap 2 van appellante] [zustervennootschap 3 van appellante]'

zouden daarvoor een aanwijzing kunnen vormen, evenals artikel 2 van de arbeidsovereenkomst dat verwijst naar de 'ingewikkelde structuur van het bedrijf, zodanig dat de werknemer op alle gebieden van de administratie en/of organisatie ingezet zal kunnen worden.'

Er is echter met het oog op een mogelijke ruimere uitleg van het concurrentiebeding onvoldoende gesteld of gebleken. Aangezien een kort geding zich niet leent voor een nader onderzoek, houdt het hof voorshands vast aan een restrictieve uitleg van het litigieuze concurrentiebeding.

4.6.3. Dit betekent, dat het hof voorshands van oordeel is, dat [geïntimeerde 1] door in dienst te treden bij [geïntimeerde 2] niet heeft gehandeld in strijd met het overeengekomen concur-rentiebeding en dat het tegen hem gevorderde verbod om in dienst te treden of te blijven van [geïntimeerde 2] - ook als [appellante] daarbij nog wel belang zou hebben gehad - niet toegewezen zou zijn. Hetzelfde geldt voor het tegen [geïntimeerde 2] gevorderde verbod.

4.6.4. Voormelde incidentele grief slaagt. De overige grieven en weren van [geïntimeerde 1] behoeven geen bespreking meer.

In principaal en incidenteel appel

4.7. Het vorenoverwogene brengt met zich, dat het vonnis waarvan beroep, ondanks het slagen van de principale grief, met verbetering van de gronden bekrachtigd dient te worden. De kosten van het hoger beroep, waarin niet berekend de kosten van het incidenteel appel wegens de overbodigheid daarvan, komen voor rekening van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij.

5. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met verbetering van de gronden;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principale hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op f 475,= aan griffierecht en f 1.700,= aan salaris procureur.

Aldus gewezen door mrs. Huijbers-Koopman, Kranenburg en Smeenk-Van der Weijden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 december 2000.