Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
WL.20.002778.99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.002778.99 -1-

uitspraakdatum : 22 december 2000

tegenspraak;

na aanh: oip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Breda van 21 april 1999 in de strafzaak onder parketnummer 02.070389-99 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

PRO MEMORIE.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Het hof overweegt ambtshalve:

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat in het kader van het AU-project in het arrondissement Breda in de onderhavige strafzaak de beslissing om tot dagvaarding van de verdachte over te gaan is genomen door een (piket)parketsecretaris.

Ex artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de bevoegdheid tot vervolging (waaronder de beslissing tot dagvaarding) door de officier van justitie te worden uitgeoefend. In het Wetboek van Strafvordering noch in enige andere wet in formele zin is een bepaling te vinden krachtens welke deze bevoegdheid in het algemeen ook door andere functionarissen, zij het onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, mag worden uitgeoefend. De uitoefening van die bevoegdheid door de officier van justitie waarborgt dat die uitoefening geschiedt door ambtenaren die voldoen aan bepaalde opleidingseisen en die mede met het oog op die bevoegdsheidsuitoefening zijn geselecteerd. Die waarborg zou worden ondergraven indien andere ambtenaren, die niet aan die eisen voldoen en niet die selectie hebben ondergaan, in het algemeen en zonder toereikende nadere instructies die bevoegdheid in mandaat zouden uitoefenen.

Het vorenstaande brengt niet zonder meer mee dat het stelsel van strafvordering zich verzet tegen het onder bepaalde voorwaarden krachtens schriftelijk mandaat uitoefenen van de bevoegdheid tot vervolging door het uitbrengen van een dagvaarding door ambtenaren, niet zijnde officieren van justitie, die aan het parket van de officier van justitie zijn verbonden.

Bij de stukken bevinden zich de brief van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, mr. G.L. Bouman, d.d. 3 juli 1996, alsmede een op schrift gestelde "werkprocedure Aanhouden en Uitreiken" (de zogenaamde AU-procedure) van het arrondissementsparket Breda van 25 juli 1996.

Uit deze stukken blijkt dat sinds september 1995 in het arrondissement Breda gewerkt wordt met een AU-procedure en dat voor de AU-procedure in aanmerking komen de zaken die aan de navolgende criteria voldoen:

-de verdachte is op het politiebureau in het kader van de 6-uurs termijn voor ophouden voor verhoor of in het kader van de inverzekeringstelling;

-de zaak is bewijstechnisch rond. Een bekennende verklaring van de verdachte is niet noodzakelijk; voldoende is dat voldoende bewijs van eenvoudige aard voorhanden is (getuigen, eigen bevindingen van verbalisanten of technisch bewijs);

-er is sprake van een meerderjarige verdachte.

De parketsecretaris beoordeelt de zaak en neemt een beslissing.

Indien deze beslissing inhoudt de dagvaarding van de verdachte, wordt door het parket direct een dagvaarding aangemaakt, die vervolgens door de politie op het bureau, tijdens het ophouden voor verhoor of de inverzekeringstelling, aan de verdachte wordt uitgereikt.

Bij de stukken bevindt zich tevens een brief van de hoofdofficier van justitie, mr. J.W. Wabeke, d.d. 9 juni 2000, waaruit blijkt dat op 1 maart 1999 door de parketleiding Breda in een algemene regeling op papier is gesteld onder welke voorwaarden de vervolgingsbevoegdheid aan de parketsecretaris kan worden gemandateerd.

In dit schriftelijk stuk, met de kop "Mandaat AU", staat de situatie geldend op 1 maart 1999 beschreven, onder meer dat het bij de AU-procedure gaat om zaken waarbij:

-de verdachte op het politiebureau of op het parket is;

-de zaak bewijstechnisch rond is;

-de verdachte meerderjarig is;

-het strafbare feit kan worden voorgelegd aan de politierechter respectievelijk kantonrechter.

Het hof heeft bij tussenarrest van 17 oktober 2000 het onderzoek heropend teneinde duidelijkheid te krijgen omtrent de kwestie of het laatste criterium ook gold in de periode van 1 september 1996 tot 1 maart 1999 en derhalve op het tijdstip dat in dit geval de dagvaarding door een parketsecretaris is opgesteld en door de politie is uitgereikt, te weten op 22 februari 1999.

Door de advocaat-generaal is vervolgens een brief aan de stukken toegevoegd van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, mr. N. Zandbergen, d.d. 20 november 2000, waarin deze stelt dat het (het hof begrijpt: laatste) criterium per maart 1999 nog eens is geƫxpliciteerd, maar -uit de aard der regeling- ook reeds voor dat tijdstip gold, omdat de AU-regeling juist uitsluitend zaken betrof die aan de kantonrechter of de politierechter kunnen worden voorgelegd.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het bovenstaande dat in dit geval sprake is geweest van een dagvaarding in het kader van een zogenaamde AU-procedure, die vanaf september 1995 in het arrondissement Breda gold, die eind juli 1996 in de "werkprocedure Aanhouden en Uitreiken" op schrift is gesteld.

Het hof begrijpt dat het criterium, dat het moet gaan om een strafbaar feit dat kan worden voorgelegd aan de politierechter of de kantonrechter, de facto reeds vanaf het begin in september 1995 heeft gegolden.

Naar het oordeel van het hof is, mede gelet op de overige wel op schrift gestelde voorwaarden als bedoeld in de brief van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, d.d. 3 juli 1996, en de "werkprocedure Aanhouden en Uitreiken" van 25 juli 1996, aldus van een algemene mandatering zonder nadere instructies in casu geen sprake.

In aanmerking genomen dat de aard van de genomen beslissing, welke ingevolge het bepaalde in artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering door de officier van justitie tot aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ongedaan kan worden gemaakt en de omstandigheid dat een parketsecretaris binnen het kader van de schriftelijke mandaatregeling, zoals die in het arrondissement Breda gold, bij mandaat heeft beslist tot dagvaarding van de verdachte, is het hof van oordeel dat in casu het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op [datum feit] te Breda, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een hamer eenmaal met kracht tegen diens hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

PRO MEMORIE

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het subsidiair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden op zich genomen passend.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde letsel en persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer [naam slachtoffer];

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde.

In plaats van twee maanden gevangenisstraf zal het hof aan de verdachte het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte opleggen voor het hieronder te vermelden aantal uren.

De verdachte heeft een daartoe strekkend aanbod gedaan en met de op te leggen straf ingestemd. Ook overigens is aan de wettelijke eisen voldaan.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf daarnaast wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Poging tot zware mishandeling".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van honderd uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, zulks in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt dat deze arbeid zal bestaan in het verrichten van onderhoudswerkzaamheden en/of verzorgingswerkzaamheden en/of administratieve werkzaamheden, uit te voeren bij een door de Stichting Reclassering Nederland, unit Breda, na overleg met veroordeelde aangewezen project uit het overzicht dienstverleningsprojecten van de Stichting Reclassering Nederland, unit Breda.

Bepaalt dat de veroordeelde de werkzaamheden ter uitvoering van dat project zal verrichten overeenkomstig de door of namens de Stichting Reclassering Nederland, unit Breda gegeven aanwijzingen en overeenkomstig de geldende Standaardregels Werkstraffen.

Bepaalt dat de veroordeelde deze arbeid zal aanvangen binnen drie maanden nadat het arrest onherroepelijk is geworden en dat -met inachtneming van het hiervoor bepaalde- de arbeid door de veroordeelde dient te worden verricht binnen zes maanden na de aanvang ervan.

Veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee maanden.

Beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit arrest is gewezen door Mr. Koster-Vaags, als voorzitter

Mrs. Aarts en Valkenburg, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Welten, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 december 2000.