Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9159

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/04136
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/19.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/04136

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid douane te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM), aanslagnummer 1, en tegen het kwijtscheldingsbesluit betreffende de in de aanslag begrepen verhoging.

1. Ontstaan en loop van het geding

De naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van ƒ 59.553,-- aan BPM met een verhoging van per saldo ƒ 14.889,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag met de daarin begrepen verhoging bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 juni 2000 te 's-Hertogenbosch voor wat betreft de enkelvoudige belasting in raadkamer en voor wat betreft de verhoging in het openbaar. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Het Hof heeft op 23 juni 2000 te 's-Hertogenbosch mondeling uitspraak gedaan.

Afschriften van het proces-verbaal daarvan zijn op 3 juli 2000 aangetekend aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft tijdig verzocht om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende woonde in 1997 in Nederland. Belanghebbende heeft in november 1997 met een in het buitenland geregistreerde personenauto, Mercedes met Duits kenteken BB, gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland zonder vooraf de BPM te hebben voldaan.

2.2. Aan belanghebbende is op grond van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM (woon-werkverkeer) een vergunning vrijstelling BPM afgegeven in september 1994, geldig tot 1 oktober 1998, voor de personenauto van het merk Mercedes met het Duits kenteken CC. De vergunning stelt onder meer als voorwaarde dat "verandering van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend" onverwijld aan de Inspecteur moet worden gemeld.

2.3. Belanghebbende heeft niet voor november 1997 aan de Inspecteur gemeld dat hij over een andere personenauto beschikte dan in de vergunning staat vermeld.

2.4. Aan belanghebbende is op grond van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 een vergunning (woon-werkverkeer) vrijstelling BPM afgegeven in december 1997 voor de in 2.1 bedoelde personenauto.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen.

3.1.1. Is de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?

3.1.2. Is terecht een verhoging van per saldo 25 percent toegepast?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende heeft voor de aanvang van het gebruik van de weg met de in 2.1 bedoelde personenauto geen verzoek om vrijstelling bij de Inspecteur ingediend. Belanghebbende heeft niet aan de Inspecteur gemeld dat de personenauto waarvoor de vergunning was afgegeven is gewijzigd. Nu de BPM niet is voldaan vóór de aanvang van het gebruik van de weg is ingevolge artikel 1, lid 5, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.

4.2. Belanghebbendes stelling dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling zodat hij geen BPM verschuldigd is verwerpt het Hof. Voorwaarde voor de vrijstelling van BPM is dat die vrijstelling bij voor bezwaar vatbare beschikking op verzoek moet zijn verleend. Dit verzoek moet zijn gedaan vóór de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland. Nu dit verzoek niet bij de aanvang van het gebruik van de weg met de in 2.1 bedoelde personenauto is gedaan geldt de vrijstelling niet. Voorzover belanghebbende beoogt te stellen dat de vrijstelling bedoeld in 2.2 nog geldig is, merkt het Hof op dat de geldigheid van die vergunning is vervallen toen de daarin genoemde personenauto belanghebbende niet meer ter beschikking stond.

4.3. Het Hof is van oordeel dat een naar aanleiding van een later gedaan verzoek verleende vrijstelling aan het in 4.2 overwogene niet afdoet. Het belastbaar feit van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto heeft zich immers al voorgedaan zodat de BPM al verschuldigd is. De later verleende vrijstelling maakt dit belastbaar feit niet ongedaan.

4.4. Belanghebbendes beroep op het in het EG-Verdrag genoemde recht op vrije verkeer van personen en goederen verwerpt het Hof. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat toepassing van de vrijstelling belemmeringen in dit vrije verkeer van personen en goederen welke door de heffing van BPM zouden kunnen ontstaan wegneemt, zodat de regelgeving van de BPM geen belemmeringen oproept. De omstandigheid dat daaraan voorwaarden zijn verbonden en dat niet-naleving van die voorwaarden leidt tot belastingheffing, is geen belemmering in de zin van het EG-Verdrag.

4.5. Belanghebbende heeft, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat in andere gevallen werd afgezien van heffing van BPM indien later een vrijstelling werd verleend. Belanghebbende heeft daartoe geen gevallen genoemd, noch aangeboden die te zullen noemen.

4.6. Gelet op de in het beroepschrift gememoreerde, in april 1994 aan belanghebbende gedane waarschuwing wist belanghebbende dat het in Nederland gebruik maken van de openbare weg met een personenauto met een buitenlands kenteken zonder in het bezit te zijn van een beschikking inhoudende vrijstelling leidt tot verschuldigdheid van BPM.

Voorts stelt het bepaalde in de sub 2.2 genoemde vergunning buiten twijfel dat de vrijstelling van BPM alleen geldt voor

het daarin genoemde motorvoertuig. Nu belanghebbende niettemin in november 1997 in Nederland gebruik heeft gemaakt van de weg met een personenauto die niet in Nederland is geregistreerd, zonder voor die auto in het bezit te zijn van een beschikking inhoudende vrijstelling van BPM en zonder vooraf de BPM te hebben voldaan, moet worden geoordeeld dat hij dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn grove schuld te wijten is dat te weinig belasting is geheven. Belanghebbendes verweer dat hem enkel kan worden verweten dat hij niet aan de Inspecteur heeft doorgegeven dat hij een andere personenauto ter beschikking had, faalt derhalve.

Het Hof acht echter, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, een wanverhouding aanwezig tussen de opgelegde verhoging en de ernst van het door belanghebbende begane feit. Het vindt in dat oordeel aanleiding de verhoging te beperken tot 10 percent van de nageheven BPM, welke verhoging in casu passend en geboden is.

4.7. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het stelt deze kosten vast op 2 punten maal ƒ 710,-- maal

wegingsfactor 2 ofwel ƒ 2.840,--.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak en het bij de vaststelling van de naheffingsaanslag genomen kwijtscheldingsbesluit, handhaaft het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag aan BPM, stelt de verhoging vast op 10 percent

van laatstgenoemd bedrag, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ad ƒ 80,--, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 2.840,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 30 november 2000 door A. Bijlsma, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 30 november 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.