Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9134

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2000
Datum publicatie
22-12-2000
Zaaknummer
C9700136/BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Typ. MB

Rolnummer C9700136/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 12 december 2000,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT][appellant 1] en

[appellante 2],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats]

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

procureur: eerst mr P.J.A.M. Baudoin,

daarna mr P.J. van den Hoogen (gedesisteerd),

t e g e n:

DE GEMEENTE [naam],

zetelende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr J.E. Benner,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van

7 maart 2000.

6. Het verdere verloop van het proces

Bij tussenarrest van 7 maart 2000 heeft het hof [appellant] een bewijsopdracht verstrekt. In verband hiermee heeft [appellant] drie getuigen doen horen. In contra-enquête heeft de gemeente eveneens drie getuigen doen horen. Van de afgelegde verklaringen is proces-verbaal opgemaakt.

[appellant] heeft vervolgens onder overlegging van drie foto’s een memorie na enquête genomen en de gemeente een memorie van antwoord na enquête. De procureur van [appellant] is daarna gedesisteerd. Tenslotte heeft de gemeente de stukken opnieuw overgelegd en uitspraak verzocht.

7. De verdere beoordeling

In principaal appel en in incidenteel appel

7.1 Het hof heeft [appellant] bij tussenarrest van 7 maart 2000 toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het door hem te verwerven perceel op 17 februari 1997 niet afdoende was gesaneerd, overeen-komstig het voorstel van 6 oktober 1995.

7.2 [appellant] heeft als getuigen doen horen beide appellanten en de heer [getuige 1][getuige 1], opsteller van het rapport van [bedrijf a] van 12 september 1997, dat in de procedure is overgelegd.

De gemeente heeft als getuigen doen horen de heren [getuige 2], verantwoordelijk voor de sanering en opsteller van onder meer het evaluatierapport van

[bedrijf b] van maart 1997, [getuige 3], destijds werkzaam bij [bedrijf b] en betrokken bij de sanering, en

[getuige 4], die als uitvoerder bij [bedrijf c] de sanering heeft uitgevoerd.

7.3 Beide partijgetuigen hebben verklaard dat de sanering op 17 februari 1997 niet afdoende is geweest, omdat zij na deze sanering ter plaatse nog stukjes rode grit en rode asbest aantroffen. Daarbij merken zij op dat het verschil tussen rode asbest en rode grit niet goed te zien is. Getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard dat hij niet alleen in september 1997 ter plaatse is geweest, maar ook op 25 maart 1997. Van beide onderzoeken heeft hij een rapport opgesteld. Het rapport van zijn tweede onderzoek is in de procedure wel overgelegd, dat van zijn eerste onderzoek niet. Bij dat eerste onderzoek, dat zich richtte op het terrein naar het gesaneerde terrein toe, heeft hij geen asbest aangetroffen en dat in zijn rapport vermeld. Bij zijn tweede onderzoek dat zich richtte op het verharde gedeelte rondom het gesaneerde terrein heeft hij wel asbest aangetroffen en dat in zijn rapport vermeld.

De getuigen [getuigen2, 3 en 4] hebben verklaard dat de sanering overeenkomstig het saneringsplan van

6 oktober 1995 volledig en adequaat is uitgevoerd. In plaats van gezogen met een stofzuiger is er geveegd met een bezem, omdat dat onder de gegeven omstandigheden praktischer werd geacht. De aanduiding van zuigen in het saneringsplan is volgens hen een richtlijn waarvan afgeweken mag worden als de omstandigheden dat vragen.

7.4 In zijn memorie na enquête stelt [appellant] zich op het standpunt dat de verklaringen van de partijgetuigen het gevraagde bewijs leveren en dat hij door de verklaringen van de getuigen die in contra-enquête zijn gehoord heeft bewezen dat niet is voldaan aan het saneringsplan. Verder legt hij drie foto’s over waaruit volgens hem blijkt dat er tussen de voegen van de verharding rode grit is achtergebleven en verzoekt hij een plaatsopneming te doen plaatsvinden. Volgens [appellant] bevond en bevindt zich met name in de voegen van de verharding asbest, dat bij de sanering over het hoofd is gezien.

Volgens de gemeente is [appellant] er niet in geslaagd het gevraagde bewijs te leveren, kan aan de overgelegde foto’s geen betekenis worden toegekend en is voor een plaatsopneming geen aanleiding.

7.5 Het hof overweegt hieromtrent het volgende. In het tussenarrest van 7 maart 2000 is het hof er voorshands van uitgegaan dat het perceel op 17 februari 1997 afdoende was gesaneerd, overeenkomstig het voorstel van

6 oktober 1995 en is aan [appellant] de gelegenheid geboden daartegen tegenbewijs te leveren. In dat tegenbewijs is [appellant] niet geslaagd.

Getuige [getuige 1] verklaart weliswaar dat hij in september 1997 asbest op het terrein heeft aangetroffen, maar het moment waar het hier om gaat is dat van de oplevering op 17 februari 1997. Uit de verklaring van deze getuige kan niet worden afgeleid dat de asbest die hij in september 1997 aantrof daar op 17 februari 1997 aanwezig was zodat zijn verklaring niet bijdraagt tot het door [appellant] te leveren bewijs.

De verklaringen van beide partijgetuigen, die door [appellant] zijn voorgebracht, staan op zichzelf, terwijl uit de verklaring van getuige [appellante 2] blijkt dat zij niet goed in staat is asbest van grit te onderscheiden, zodat aan haar verklaring niet veel gewicht kan worden toegekend.

Daar komt nog bij dat de drie getuigen die in contra-enquête zijn gehoord bevestigen dat het terrein bij de oplevering wel afdoende gesaneerd was. Daaraan doet niet af dat bij de sanering een andere methode is gehanteerd dan in het saneringsplan vermeld, nu uit de verklaringen van voormelde getuigen ook blijkt dat het toepassen daarvan verantwoord was en dat het eindresultaat in ieder geval was dat het terrein afdoende was gesaneerd.

De foto’s die [appellant] nog heeft overgelegd acht het hof niet relevant reeds omdat nergens uit blijkt of deze de situatie op het gesaneerde terrein ten tijde van de oplevering weergeven.

Voor een plaatsopneming als door [appellant] voorgesteld ziet het hof geen aanleiding, aangezien niet valt in te zien hoe daardoor de situatie ten tijde van de oplevering kan worden vastgesteld.

7.6 Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat thans vaststaat dat het perceel op 17 februari 1997 afdoende en overeenkomstig het voorstel van 6 oktober 1995 was gesaneerd, zodat ook grief 6 van [appellant] in principaal appel faalt. Daarmee staat tevens vast dat de gemeente inmiddels heeft voldaan aan de saneringsvoorwaarde die door de rechtbank aan de toewijzing van de vordering in conventie was verbonden.

7.7 In het tussenarrest van 7 maart 2000 zijn de overige grieven in principaal appel en de grieven in incidenteel appel verworpen, zodat nu ook deze laatste grief in principaal appel is verworpen het bestreden vonnis bekrachtigd dient te worden. De consequenties van de inmiddels in gang gezette onteigening zullen bij de tenuitvoerlegging daarvan betrokken dienen te worden; in de onderhavige procedure is daarvoor gezien het resultaat ervan geen plaats.

7.8 In het principaal appel is [appellant] de in het ongelijk gestelde partij en in het incidenteel appel de gemeente. Partijen zullen dienovereenkomstig in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

8. De beslissing

Het hof:

In principaal appel en in incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Breda van

16 juli 1996 (rolnummer 22074/HA ZA 95-548), waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op f 4.660,= aan verschotten en op

f 5.100,= aan salaris procureur;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het incidenteel appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op f 2.550,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-Van Dijk,

Meulenbroek en Begheyn en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van dit hof van 12 december 2000.