Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9062

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/22199
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/18.24

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/22199

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Derde Meervoudige Belastingkamer, op het beroep van Coöperatieve Vereniging I BA (thans: Coöperatie I UA) te W tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid grote ondernemingen te M van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 758.948,--. Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 21 juni 2000 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende in de persoon van haar directeur de heer F., de heer drs E. en de heer J., verbonden aan A Accountants en Adviseurs te R, als gemachtigden van belanghebbende, alsmede de heer drs P., namens de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof, welke pleitnota met instemming van de Inspecteur wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen en waarvan een exemplaar is overgelegd aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is een agrarische coöperatie die onder meer mengvoeders voor haar leden produceert. Haar omzet bestaat voor 83% uit de verkoop van deze mengvoeders. De mengvoederomzet van belanghebbende bestaat voor 92% uit varkensvoeders en pluimveevoeders.

2.2. Belanghebbende behoort tezamen met de mengvoedercoöperaties C.A.V. Y, C.A.V. S en C.A.V. H tot de laatste vier zogenoemde zelfmengers. De overige mengvoedercoöperaties betrekken hun mengvoeders van de overkoepelende Centrale Coöperatie L UA (hierna: L) te R.

2.3. Belanghebbende is evenals de andere drie zelfmengende veevoedercoöperaties lid van L. De belangrijkste activiteit van L is de productie van mengvoeders.

2.4. L heeft eind 1990 besloten deel te nemen in het aandelenkapitaal van C N.V.. De (gewone) aandelen in C N.V. waren op dat moment alle in handen van de Coöperatie C, een coöperatie van veehouders, die belangen heeft in de vleesverwerkende industrie.

2.5. L heeft op of omstreeks 31 december 1990 5.100 (nieuw uitgegeven) gewone aandelen in C N.V. verworven à ƒ 1.000,-- nominaal. Daarmee nam L voor ongeveer 7,1% deel in het kapitaal van C N.V..

2.6. In dezelfde periode heeft L belanghebbende en de drie andere zelfmengende veevoedercoöperaties benaderd om deel te nemen in C N.V.. Deze coöperaties waren echter niet bereid zelf aandelen in C N.V. te nemen. Zij wilden zich wel, ieder voor zich, voor een deel garantstellen voor de deelneming van L in C N.V., waarbij het percentage van de garantstelling zou worden berekend naar rato van de productie van varkensvoeders.

2.7. Belanghebbende en L hebben in vervolg daarop een - op 8 april 1991 ondertekende - zogenoemde garantstellingsovereenkomst (verder: de overeenkomst) gesloten "inzake de door L aangegane deelname in het aandelenkapitaal van C N.V. ad. ƒ 5.100.000,--".

2.8. Partijen zijn het volgende overeengekomen:

"1) Het lid-coöperatie stelt zich garant voor een bedrag van thans ƒ 270.300,-- zijnde 5,3 procent van ƒ 5.100.000,--.

Het garantstellingsbedrag is berekend uit de verhouding van de produktie varkensvoeders van de C.A.V. Y, C.A.V. S, C.A.V. H, C.V. I en L.

Bovenstaand bedrag is berekend uit de verhouding van het aandeel van het lid-coöperatie in de produktie van varkensvoeders in de periode van 1 juli 1989 t/m 30 juni 1990 en geldt als garantstellingsbedrag voor het jaar 1991.

Produktie varkensvoeders 1989/1990 (tonnen) (procenten)

L 492.927 70,0

CAV Y 72.826 10,3

CAV S 53.707 7,6

CAV H 47.635 6,8

CV I 37.528 5,3

704.623 100,0

Het garantstellingsbedrag voor het jaar 1992 wordt berekend uit de verhouding van het aandeel van het lid-coöperatie in de produktie van varkensvoeders in de periode van 1 juli 1989 t/m 31 december 1991.

Het garantstellingsbedrag voor het jaar 1993 en volgende jaren wordt berekend uit de verhouding van het aandeel van het lid-coöperatie in de produktie van varkensvoeders in de periode van drie kalenderjaren voorafgaande aan het jaar 1993 c.q. aan het desbetreffende jaar.

2) Indien over enig boekjaar van C N.V., door C N.V. geen dividend wordt uitgekeerd, dan wordt aan het lid-coöperatie over het voor dat jaar geldende garantstellingsbedrag een garant-rente in rekening gebracht, die gelijk is aan het gemiddelde percentage van het promesse-disconto van de Nederlandsche Bank over het betreffende boekjaar.

3) Indien over enig boekjaar door C N.V. een dividend wordt uitgekeerd, gelijk aan (100% - a) x b, dan vindt er geen berekening van garant-rente aan het lid-coöperatie plaats.

Waarbij a = het normaal percentage vennootschapsbelasting voor belastbare bedragen boven ƒ 250.000 (thans 35%), geldend voor het betreffende boekjaar

en b = promesse-disconto c.q. gemiddeld promesse-disconto geldend voor het betreffende boekjaar.

4) Indien over enig boekjaar door C N.V. een dividend wordt uitgekeerd lager dan het percentage, zoals omschreven onder lid 3, dan brengt L het lid-coöperatie over het voor het lid-coöperatie geldende garantstellingsbedrag een garant-rente in rekening waarvan het percentage gelijk is aan

100%

( )x (het perc. zoals omschreven onder lid 3 minus het 100% - a werkelijk uitkeerde dividend).

5) Indien over enig boekjaar door C N.V. aan L een dividend wordt uitgekeerd, hoger dan het percentage, zoals omschreven onder lid 3, dan wordt aan het lid-coöperatie het meerdere uitbetaald, waarvan het percentage gelijk is aan:

percentage dividend minus het percentage omschreven onder lid 3.

6) L zal de aandelen in C N.V. niet vervreemden dan nadat overleg met het lid-coöperatie heeft plaatsgevonden.

7) Bij vervreemding door L van de aandelen in C N.V. zal bij een mindere opbrengst dan de nominale waarde, het lid-coöperatie worden aangesproken, op basis van het percentage garantstelling (omschreven zoals bij lid 1) x het bedrag van de hogere opbrengst.

8) Bij vervreemding door L van de aandelen in C N.V. zal bij een hogere opbrengst dan de nominale waarde, het lid-coöperatie, op basis van het percentage garantstelling (omschreven zoals bij lid 1) x het bedrag van de mindere opbrengst, worden uitbetaald.

9)Het lid-coöperatie verplicht zich t.a.v. bovenstaande op eerste aanmaning van L haar deel te zullen betalen.

10) De garantie-overeenkomst wordt aangegaan voor de duur dat de deelname in het aandelenkapitaal van C N.V. door L voortduurt. De garantie-overeenkomst wordt aangegaan tot het tijdstip dat L het lid-coöperatie schriftelijk zal hebben ontslagen.".

2.8. In het tot de stukken behorende, door belanghebbendes gemachtigde opgestelde "aangifterapport vennootschapsbelasting over het boekjaar 1993" is het in lid 1 van de overeenkomst bedoelde aandeel van belanghebbende in de produktie van varkensvoeders gesteld op 5,5%.

2.9. Belanghebbende heeft over het jaar 1993 aangifte gedaan van een belastbaar bedrag van ƒ 633.986,--. Zij is tot dit bedrag gekomen, mede omdat zij bij de berekening van haar winst over 1993 een voorziening "Garantstelling C N.V." heeft gevormd ten bedrage van ƒ 124.962,--. Blijkens eerdergenoemd aangifterapport is deze voorziening gevormd, omdat de waarde van de door L gehouden aandelen in C N.V. per 31 december 1993 ten opzichte van de nominale waarde van ƒ 5.100.000,-- met ƒ 2.272.040,-- is gedaald. Belanghebbende heeft haar aandeel in dit verlies berekend op 5,5% van ƒ 2.272.040,--, zijnde ƒ 124.962,--.

2.10. De inspecteur heeft de aftrek van genoemd bedrag van

ƒ 124.962,-- niet geaccepteerd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat dit bedrag als een (negatief) voordeel uit deelneming moet worden aangemerkt. Naar zijn oordeel heeft belanghebbende ten gevolge van de garantstelling in 1991 het gehele (economische) belang verkregen van een met een deelneming gelijkgesteld aandelenbezit als bedoeld in artikel 13, lid 3, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen. Is belanghebbende ten gevolge van de garantstelling aandeelhouder in C N.V. geworden als bedoeld in artikel 13, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet? Zo ja, ligt het aanhouden van het aandelenbezit in de lijn van de normale uitoefening van de door belanghebbende gedreven onderneming? Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting het volgende toegevoegd.

Belanghebbende: Het bedrag van de garantstelling varieert van jaar tot jaar, omdat de hoogte van de garantstelling afhankelijk is van de omzet van de varkensvoeders. Het economisch belang van de vier mengvoederbedrijven bij de aandelen in C N.V. kan dan ook van jaar tot jaar verschillen.

De Inspecteur: Ook indien er sprake is van een variërende deelname, betreft die deelname het gehele belang. Er is slechts sprake van geringe fluctuaties tussen de verschillende bij de garantiestelling betrokken partijen, omdat de omzet van varkensvoeders vrij constant is. Het economische belang van L fluctueert mee.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 633.986,--. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het Hof stelt voorop dat de strekking van de deelnemingsvrijstelling - te weten in de deelnemingsverhouding te voorkomen dat eenzelfde bedrijfsresultaat tweemaal in de vennootschapsbelasting wordt betrokken - meebrengt dat de term "aandeelhouder" in artikel 13, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet aldus dient te worden verstaan dat daaronder niet slechts wordt begrepen de eigenaar van de aandelen, doch tevens degene die tot de eigenaar in een zodanige rechtsverhouding staat dat het gehele belang bij de aandelen hem en niet de eigenaar toekomt (HR 16 oktober 1985, nr. 23 033, BNB 1986/118).

4.2. De Inspecteur heeft in zijn vertoogschrift onder verwijzing naar de overeenkomst aangevoerd: dat L belanghebbende rente in rekening brengt over het deel van de deelneming in C N.V., waarvoor belanghebbende zich garant heeft gesteld(lid 2); dat belanghebbende recht heeft op 5,3% van het dividend dat L ter zake van de aandelen C N.V. ontvangt (leden 3, 4 en 5); dat belanghebbende recht heeft op 5,3% van de boekwinst bij vervreemding van de aandelen (lid 8); dat in geval van een boekverlies eveneens 5,3% voor rekening van belanghebbende komt (lid 7); dat daaruit volgt dat alle resultaten (dividenden, waardemutaties) met betrekking tot 5,3% van ƒ 5.100.000,-- oftewel ƒ 270.300,-- nominaal aandelenkapitaal C N.V. aan belanghebbende toekomt; dat belanghebbende hierdoor economisch eigenaar is van deze ƒ 270.300,-- nominaal gewone aandelen C N.V.; dat dit voldoende is om voor de toepassing van de deelnemingvrijstelling te kwalificeren als aandeelhouder in de zin van het in 4.1 genoemde arrest.

4.3. De stellingen van de inspecteur komen erop neer dat belanghebbende ten gevolge van de overeenkomst in een zodanige rechtsverhouding tot L is komen te staan dat haar het gehele belang van 5,3% van de door L gehouden aandelen in C N.V. aanging.

4.4. Het Hof stelt vast dat blijkens lid 1 van de overeenkomst de bedragen waarvoor belanghebbende en de drie andere zelfmengers zich tegenover L garant hebben gesteld van jaar tot jaar kunnen wijzigen, afhankelijk van de onderlinge verhouding van de varkensvoederproductie van ieder van hen en van L in de voorafgaande, in de overeenkomst nader omschreven, periode. Het Hof stelt voorts vast dat, gezien hetgeen onder 2.7. en 2.8 is vermeld, deze wijzigingen zich in feite ook hebben voorgedaan en dat die wijzigingen een meer dan te verwaarlozen omvang hadden (van 5,3 percent in 1989/1990 naar 5,5 percent in 1993). Het Hof stelt ten slotte vast dat niet gesteld of gebleken is dat in een dergelijk geval een onderlinge betaling of verrekening plaatsvindt of dient plaats te vinden.

4.5. Voormelde vaststellingen brengen mee dat de grootte van het belang dat belanghebbende bij de door L gehouden aandelen in C N.V. heeft, van jaar tot jaar kan fluctueren, zonder dat door belanghebbende ter zake van die fluctuaties in de grootte van het belang enig voordeel wordt genoten of enig nadeel wordt geleden. Naar het oordeel van het Hof volgt daaruit dat belanghebbende ten gevolge van de overeenkomst niet het gehele belang van de door L gehouden aandelen in C N.V. aanging.

4.6. Op grond van al het vorenstaande moet de vraag of belanghebbende ten gevolge van de garantiestelling aandeelhoudster in C N.V. is geworden als bedoeld in artikel 13, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet, ontkennend worden beantwoord. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende zodat de uitspraak van de inspecteur moet worden vernietigd en de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 633.986,--.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 2 ofwel ƒ 2.840,--.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 633.986,--, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 75,-- en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 2.840,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 8 december 2000 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, R.J. Koopman en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van P.G.M. Jansen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 8 december 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.