Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9018

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C9900024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JZ

rolnr. C9900024/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 5 december 2000,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

procureur: mr J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

h.o.d.n. [naam],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr W.M.C. van der Eerden,

op het bij dagvaarding van 8 december 1998 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Breda tussen appellant, [appellant], als gedaagde en geïntimeerde, [geïntimeerde], als eiser onder rolnummer 45463/HA ZA 97-155 gewezen tussenvonnis van 11 november 1997 en het eindvonnis van 10 november 1998.

---------------------------------------------------------

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van deze vonnissen is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van drie producties vijf grieven aangevoerd en geconclu-deerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van een productie de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en onge-grond-verklaring van de daartegen gerichte grieven, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 11 november 1997 dat [geïntimeerde] voorals-nog voldoende bewijs van de koopovereenkomst heeft geleverd en dat [appellant] tot tegenbewijs dient te worden toegelaten.

De overige grieven richten zich tegen het eindvonnis van 10 november 1998 en wel tegen de waardering van het door [appellant] geleverde tegenbewijs (II), de beslissing inzake de ontbinding van de overeenkomst (III), de toewijzing van de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] (IV) en de toewijzing van de wettelijke rente (V).

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals deze in het tussenvonnis van 11 november 1997 onder 3.1 zijn vastgesteld, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep zal uitgaan.

4.2 Met de eerste twee grieven wordt de vraag aan de orde gesteld in hoeverre is komen vast te staan dat tussen partijen een koopovereenkomst met betrekking tot een [auto] is gesloten. Hierbij gaat het in het bijzonder om een gesprek tussen partijen aan het einde van de middag op 3 maart 1993 ([appellant]) dan wel 4 maart 1993 ([geïntimeerde]), waarin [appellant] volgens [geïntimeerde] een [auto] van hem heeft gekocht.

4.3 De rechtbank baseert het oordeel dat door de eerste grief bestreden wordt op de verklaringen die bij het voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd, op twee brieven die door of namens [appellant] zijn geschreven en op de offer-te en de orderbevestiging.

4.4 Door de zoon van [geïntimeerde] is bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard:

"De volgende dag zaten bij ons in de zaak de heer [klant 1] en mevrouw [klant 2]. Mijn vader en ik waren aanwezig. Deze klanten wilden een auto kopen en wij waren met hen in gesprek. Toen kwam [appellant] binnen. Hij zei dat hij haast had en even tussendoor wilde. Even tevoren had hij het lijstje met prijzen opge-haald. Hij zei: "Het is akkoord; de auto kan gele-verd worden." Alle aanwezigen moeten dit hebben gehoord. Mijn vader heeft toen in onze aanwezigheid direct [handelaar], de Volvodealer, gebeld en de auto besteld. Er is toen niets op papier gezet."

4.5 Door [geïntimeerde] is bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard:

"Toen [appellant] binnenkwam was ik net in gesprek met mevr. [klant 2] en de heer [klant 1]. Mogelijk was mijn zoon ook nog aanwezig maar dat weet ik niet meer. [appellant] wilde er tussendoor komen. Hij wilde snel het briefje aan zijn vrouw laten zien. Ik had van hem begrepen dat het zijn trouwdag was en dat hij het leuk vond om op zijn trouwdag een auto te kopen. Ik gaf hem het briefje. Hij woont vlakbij. Na 15 minuten was hij weer terug. Mevr. [klant 2] en de heer [klant 1]waren er nog. [appellant] zei dat zijn vrouw ook accoord was. Even is toen nog gesproken over de prijs. Aanvankelijk dacht [appellant] dat deze niet juist was. Ik heb toen uitgelegd dat de prijs inclusief afleve-rings-kosten, metalliclak, volle tank en matten was en dat deze prijs zo aan mij was doorgegeven door [handelaar]. [appellant] was accoord met de prijs. In bijzijn van de mensen die ik zojuist noemde heb ik [handelaar] gebeld en de auto besteld. [appellant] is vervolgens weggegaan. Hij had haast."

4.6 Mevrouw [klant 2] heeft bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard:

"Op een zekere dag, de datum weet ik niet meer, was ik met de heer [klant 1] in het kantoortje van garage [geïntimeerde]. Wij dronken koffie terwijl wij wachtten tot onze auto klaar was. In de ruimte zaten al de heer [geïntimeerde] senior en een man van wie ik nu weet dat hij [appellant] heet. Omdat ik met het gesprek tussen [appellant] en [geïntimeerde] niets te maken had, heb ik er niet veel aandacht aan besteed. Wel heb ik begrepen dat [appellant] voor een nieuwe Volvo kwam en dat hij iets wilde op korte termijn. [geïntimeerde] heeft in onze aanwezigheid een telefoongesprek gevoerd. Met wie weet ik niet. Het ging over een Volvo. Toen [appellant] weg was, was [geïntimeerde] opgetogen omdat hij een auto zei te hebben verkocht."

4.7 [appellant] heeft bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard:

"Om half zes die dag heb ik de kostenspecificatie bij [geïntimeerde] opgehaald. [geïntimeerde] was samen met een mevrouw in het kantoortje. Zijn zoon was met haar man een proefrit maken of zo. [..] Toen ik de kostenspe-ci-fi-catie van [geïntimeerde] zag, vroeg ik waarom de afleve-ringskosten zo hoog waren. Ook vroeg ik of [geïntimeerde] [handelaar] wilde bellen over de levertijd. De lever-tijd bleek zes tot 12 weken te belopen. Ik heb gezegd, ik kom morgen om half vier terug om de auto te kopen. Hierbij waren uitsluitend [geïntimeerde] senior en die mevrouw. Met deze opmerking bedoelde ik dat ik de volgende dag zou mededelen of ik de auto wel of niet zou kopen."

4.8 [appellant] stelt zich op het standpunt dat de verkla-rin-gen van vader en zoon [geïntimeerde] niet stroken met die van getuige [klant 2] en dat er alleen sprake was van een voornemen om op 4 maart een auto te kopen, van welk voornemen vervolgens is afgezien. Verder wijst [appellant] erop dat in brieven van en namens hem van 6 september 1993 resp. 27 april 1993 wordt ontkend dat er een koop-over-eenkomst is gesloten.

4.9 Wat dit laatste aangaat: dit gegeven laat onverlet dat uit beide andere brieven wel kan worden afgeleid dat [appellant] er zelf ook van uitging dat een overeenkomst tot stand gekomen was. Deze kunnen dan ook bijdragen tot het bewijs. Wat de afgelegde verklaringen betreft kan het hof zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de onder-lin-ge afwijkingen te gering zijn om aan de verklaringen van vader en zoon [geïntimeerde] geen waarde toe te kennen. Ook voor het overige kan het hof zich vinden in hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen met betrek-king tot het bewijs dat toen voorhanden was en in de conclu-sies die de rechtbank daaraan heeft verbonden. Grief I faalt derhalve.

4.10 Grief II betreft de vraag in hoeverre [appellant] is geslaagd in het tegenbewijs waartoe hij vervolgens is toegelaten. [appellant] heeft zichzelf, zijn echtgenote en autohandelaar [handelaar] doen horen. In contra-enquête zijn [geïntimeerde] en zijn echtgenote gehoord.

4.11 Bij het getuigenverhoor naar aanleiding van het tussenvonnis heeft [appellant] verklaard dat de zoon van [geïntimeerde] en de heer [klant 1] niet bij het gesprek aanwezig zijn geweest en dat hij ‘de intentie had om de dag nadat [geïntimeerde] de offerte aan hem had gegeven samen met zijn vrouw om half vier weer bij [geïntimeerde] te komen om een auto te kopen’.

Zijn echtgenote heeft bij dit getuigenverhoor omtrent het al dan niet tot stand komen van de overeenkomst uit eigen waarneming niets relevants verklaard.

4.12 [handelaar] heeft als getuige verklaard:

"Ik kan mij niet herinneren dat [geïntimeerde] tijdens een telefoongesprek zou hebben gezegd van: bestel maar en met hoeveel levertijd moet ik rekening houden? Nu ik er enige tijd over denk durf ik te zeggen dat [geïntimeerde] telefonisch geen auto bij mij heeft besteld. Een bestelling in de ware zin van het woord is het niet geweest. Als iemand bestelt wordt er gesproken over kleur, type en dergelijke. Daar was geen sprake van. Er is gesproken over levertijden en die kan ik globaal noemen, ook al weet ik niet om wat voor auto het precies gaat. Er is ook gesproken over de prijs."

4.13 Bij dit getuigenverhoor heeft [geïntimeerde] verklaard:

"Ik heb in het bijzijn van [appellant] [handelaar] gebeld, nadat [appellant] mij had meegedeeld dat hij de order bevestigde, en aan [handelaar] medegedeeld dat [appellant] de auto had gekocht. Dat was dus mijn order die ik aan [handelaar] doorgaf."

4.14 Door de echtgenote van [geïntimeerde] als getuige verklaard:

"Ik ben er bij geweest toen meneer [appellant] zijn hoofd om de deur stak en vertelde dat de koop o.k. was. De wagen moest maar besteld worden volgens hem. Mijn man heeft toen gezegd: "Is dat niet te snel." Meneer [appellant] heeft daarop geantwoord dat hij die dag 17 jaar getrouwd was en dat de koop door moest gaan. Mijn man heeft toen gezegd: "Blijf er even bij als ik [handelaar] bel." Mijn man heeft toen [handelaar] gebeld en gezegd dat de bestelling door kon gaan. [..] Op het moment dat [appellant] zijn hoofd om de deur stak waren mevr. [klant 2] en dhr. [klant 1] in het kantoor dat aan de werkplaats grenst."

4.15 In zijn toelichting op grief II stelt [appellant] zich op het standpunt dat de getuigenverklaring van mevrouw [geïntimeerde] uit het niets komt opduiken, aangezien eerder niemand gewag heeft gemaakt van haar aanwezigheid. Wat de verkla-ring van getuige [handelaar] betreft wijst hij erop dat deze in zijn brief van 6 september 1993 aangeeft dat er geen sprake was van een bestelling.

4.16 Naar het oordeel van het hof is [appellant] er niet in geslaagd het gevraagde tegenbewijs te leveren. Met de rechtbank acht het hof de verklaring van [handelaar] te vaag en te terughoudend om hieraan een doorslaggevende betekenis toe te kennen, ook wanneer deze wordt bezien in samenhang met zijn brief van 6 september 1993. Het hof ziet geen aanleiding de getuigenverklaring van mevrouw [geïntimeerde] in twijfel te trekken; het gegeven dat haar aanwezigheid in andere verklaringen niet werd vermeld, houdt niet in dat zij niet aanwezig geweest kan zijn. Haar verklaring bevestigt het eerder door [geïntimeerde] aangedragen bewijs.

Ook voor het overige kan het hof zich vinden in de waardering door de rechtbank van het geleverde bewijs en sluit zich daarbij aan. De consequentie hiervan is dat ook grief II wordt verworpen.

4.17 Blijkens zijn toelichting op grief III stelt [appellant] zich op het standpunt dat een eventuele overeenkomst met [geïntimeerde] de volgende dag in onderling overleg is beëin-digd. Hij wilde toen afzien van de aanschaf van een nieuwe auto, maar hij werd daarna door [handelaar] overge-haald om toch een nieuwe auto te kopen. Volgens [geïntimeerde] kan [appellant] zich niet met succes op de ontbindingsovereen-komst beroepen omdat daarbij sprake is geweest van dwaling aan zijn zijde. Hij heeft met ontbinding inge-stemd omdat [appellant] te kennen gaf helemaal af te zien van de aanschaf van een nieuwe auto, terwijl hij dezelfde dag bij [handelaar] dezelfde auto kocht als hij de dag ervoor bij [geïntimeerde] had gekocht.

4.18 Naar het oordeel van het hof beroept [geïntimeerde] zich terecht op dwaling. Het ligt voor de hand dat [geïntimeerde] niet of in ieder geval niet zonder meer met ontbinding van de koopovereenkomst zou hebben ingestemd, wanneer hij geweten had dat [appellant] vervolgens eenzelfde auto elders zou aanschaffen. Het relaas van [appellant] op dit punt is weinig aannemelijk, zeker ook gezien het feit dat hij eerder ook met [handelaar] contact had gehad over de aanschaf van een [auto] met inruil van zijn oude auto. Dat [handelaar] hem over de streep geholpen zou hebben, wordt door [handelaar] in zijn getuigenverklaring uitdruk-ke-lijk weersproken. Door [geïntimeerde] is voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] hem niet de juiste reden voor de gewenste ontbinding heeft opgegeven. De betwisting hiervan acht het hof onvoldoende gemotiveerd, terwijl een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod van [appellant] ontbreekt. Aan [appellant] komt dus geen beroep op de ontbindingsovereenkomst toe, zodat grief III faalt.

4.19 In zijn toelichting op grief IV brengt [appellant] naar voren dat de rechtbank bij de berekening van de schade van een te hoge aanschafprijs van de nieuwe auto en van een te hoge winst op de verkoop van de inruilauto is uitgegaan. Wat dit laatste betreft stelt [appellant] dat het van algemene bekendheid is dat op inruilauto’s maximaal f 85,= winst wordt gemaakt. Deze stelling, die in zijn algemeenheid weinig aannemelijk voorkomt, wordt door [appellant] verder niet gestaafd, zodat hij hiermee zijn verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Wat de prijs van de auto betreft verwijst [appellant] naar de door hem overgelegde factuur van [handelaar]. [geïntimeerde] wijst erop dat deze factuur niet strookt met de orderbevesti-ging van [handelaar] voor deze auto. Het hof stelt vast dat tussen de orderbevestiging en de factuur verschillen zitten die door [appellant] niet worden verklaard.

Wat daar verder ook van zij: vaststaat in ieder geval dat [geïntimeerde] schade heeft geleden. De rechtbank heeft deze geschat op f 4.000,= en het hof acht dit gezien de kosten die met de transactie als geheel zijn gemoeid een reële schatting. Het hof neemt deze dan ook over, zodat grief IV faalt.

4.20 In zijn toelichting op grief V stelt [appellant] dat de veroordeling tot betaling van wettelijke rente in strijd is met redelijkheid en billijkheid omdat [geïntimeerde] de zaak na het voorlopig getuigenverhoor gedurende vier jaar heeft laten liggen alvorens tot dagvaarding over te gaan. Verder wijst hij erop dat de wettelijke rente niet is aangezegd, ook niet in de brief van 24 augustus 1993 die ingevolge het tussenvonnis van 11 november 1997 is overgelegd. Volgens [geïntimeerde] is de rente in die brief per 31 augustus 1993 aangezegd.

4.21 Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Bij de hierboven bedoelde brief is de koopovereenkomst ontbon-den, is [appellant] aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade en is hij gesommeerd de schade uiterlijk 31 augustus 1993 te voldoen. Een aanzegging van wettelijke rente is hierin niet opgenomen, maar dat is onder het huidige Burgerlijk Wetboek ook niet vereist. Op zich kan aan [appellant] worden toegegeven dat er tussen het voorlopig getuigenverhoor en de inleidende dagvaarding geruime tijd is verlopen, maar dit enkele feit brengt nog niet mee dat [geïntimeerde] daarmee zijn rechten terzake zou hebben prijsgegeven dan wel zou handelen in strijd met redelijkheid en billijkheid door de wettelijke rente per 31 augustus 1993 te vorderen. Ook grief V dient derhalve te worden verworpen.

4.22 Nu alle grieven zijn verworpen, dienen de bestreden vonnissen bekrachtigd te worden met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussenvonnis van 11 november 1997 en het eindvonnis van 10 november 1998 van de rechtbank te Breda (rolnummer 45463/HA ZA 97-155), waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op f 475,= aan verschotten en op f 1.200,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs Rothuizen-van Dijk, Meulenbroek en Begheyn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 december 2000.