Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA9017

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C9800581/BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JZ

rolnr. C9800581/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 5 december 2000,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [APPELLANT 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats][gemeente],

3. [APPELLANT 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

procureur: mr. J.H.M. Erkens,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het bij dagvaarding van 18 juni 1998 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Breda tussen appel-lanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel, in enkelvoud: [appellant], als eisers in conventie, verweerders in reconventie en geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, [geïntimeerde], als gedaag-de in conventie, eiser in reconventie onder rolnummer 28004/HA ZA 95-2025 gewezen tussenvonnis van 1 juli 1997 en eindvonnis van 9 juni 1998.

---------------------------------------------------------

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven aange-voerd, vier tegen het tussenvonnis van 1 juli 1997 en een tegen het eindvonnis van 9 juni 1998, en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellant] bestreden, in incidenteel appel drie grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellant] de grieven van [geïntimeerde] bestreden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het door [geïntimeerde] ingestelde hoger beroep en bekrachtiging van de bestreden vonnissen met inachtneming van de grieven in principaal appel en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar beide memories van grieven.

4. De beoordeling

In principaal appel en in incidenteel appel

4.1 Het petitum van de appeldagvaarding behelst de vorde-ring van [appellant] zoals hij deze in eerste aanleg bij inleidende dagvaarding heeft ingesteld. Nadien heeft hij zijn vordering aangevuld met een verklaring voor recht en voor wat betreft het gevorderde bedrag gecorrigeerd (punt 15 conclusie van repliek in conventie). Deze wijzigingen zijn in de appeldagvaarding en de memorie van grieven niet terug te vinden, maar het hof zal uitgaan van de aldus gewijzigde eis (zoals in het tussenvonnis van 1 juli 1997 onder 2. verwoord) nu uit niets blijkt dat [appellant] in hoger beroep deze wijzigingen weer ongedaan heeft willen maken.

4.2 In het tussenvonnis van 1 juli 1997 heeft de recht-bank onder 3.1 de feiten vastgesteld. De eerste grief van [appellant] richt zich tegen de hierin gebruikte aanduiding ‘onderhuur’ met betrekking tot de tussen partijen geslo-ten overeenkomst voor de periode 1987-1993 en de concept-overeenkomst voor de periode 1993-1999. Afgezien hiervan zijn tegen de vaststelling van de feiten geen grieven gericht, zodat het hof hiervan voor het overige ook in hoger beroep zal uitgaan.

4.3 [appellant] stelt zich op het standpunt dat tussen par-tij-en eerst schriftelijk en later mondeling een overeen-komst is gesloten waarbij [appellant], [derden] (niet in de procedure betrokken) en [geïntimeerde] ieder 20% voldoen van de door [geïntimeerde] gelijkelijk over hen te verdelen huursom die hij aan de verhuurder, de gemeen-te, verschuldigd zou zijn. [derde] ontvangt een vergun-ning ingevolge artikel 7 lid 2 Jachtwet (‘gastakte’). [appellant], [derden] ontvangen vergunningen ingevolge artikel 7 lid 1 sub b Jachtwet (‘7b-verkla-ringen’) waar-door zij zelfstandig het jachtgenot uitoe-fenen en vervol-gens door [geïntimeerde] in het bezit van diverse afschot-vergun-ningen worden gesteld. Deze overeenkomsten zijn volgens [appellant] geen van beide te beschouwen als onder-huur-over-eenkomsten, zodat de vormvereisten die artikel 6 Jachtwet aan (onder)huurovereenkomsten stelt niet gelden. Het gegeven dat de overeenkomst met betrek-king tot de periode 1987-1993 wel schriftelijk is vastgelegd en de latere overeenkomst niet, is in dit verband dus ook niet rele-vant, aldus [appellant].

4.4 Het hof stelt vast dat [appellant], anders dan bij de behandeling van het hoger beroep van het kort geding, zich kennelijk niet langer op het standpunt stelt dat er sprake is van medehuurovereenkomsten. Hij gaat thans uit van een zelfstandige overeenkomst, die niet als enige huurovereenkomst geduid behoeft te worden.

4.5 Voor het verlenen van het jachtgenot kent de Jacht-wet, voorzover voor het onderhavige geval van belang, twee mogelijkheden:

a) het geheel of ten dele afstaan van het jachtgenot op de voet van artikel 6 lid 2 Jachtwet, middels een schriftelijke onderhuurovereenkomst;

b) het toestaan van de jacht op de voet van artikel 7 lid 1 sub b Jachtwet, middels voor de duur van een jaar te verstrekken vergunningen die dienen te voldoen aan door de Minister te stellen regels.

4.6 In dit verband is de strekking van de Jachtwet van belang. Uit de memorie van toelichting op de Jachtwet blijkt dat is beoogd de mogelijkheid tot het geven van jachtvergunningen drastisch te beperken en ‘als beginsel aan te nemen, dat de burgerrechtelijke bevoegdheid om te jagen aan hem, die niet tot het genot van de jacht gerech-tigd is, slechts kan worden verschaft bij een overeenkomst van verhuur van jachtgenot’. Daarnaast, en los daarvan, wordt in artikel 7 Jachtwet in beperkte mate de mogelijkheid tot het verstrekken van vergunningen geboden.

4.7 [appellant] beroept zich op een overeenkomst tussen partijen om gedurende de duur van de huur van de jacht-rechten door [geïntimeerde] van de gemeente vergunningen ex arti-kel 7 Jachtwet af te geven. De vraag of tussen partij-en al dan niet een zodanige (mondelinge) overeenkomst is gesloten, kan buiten beschouwing blijven nu een dergelij-ke overeenkomst als in strijd met de strekking en het stelsel van de Jachtwet nietig zou zijn. Reeds daarom dient de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht afgewezen te worden.

4.8 [appellant] vordert terugbetaling van de helft van het voor de periode 1 oktober 1994 tot 1 oktober 1995 betaal-de bedrag van f 10.080,=, derhalve f 5.040,=, vanwege de weigering van [geïntimeerde] om voor de tweede helft van deze periode, namelijk van 1 april 1995 tot 1 oktober 1995, 7b-verklaringen en afschotvergunningen af te geven.

Op zichzelf is het juist dat, indien [appellant] voor de periode 1 oktober 1994 tot 1 oktober 1995 een vergoeding voor het genot van de jacht heeft betaald, hem ook voor die periode dat genot dient te worden verstrekt. [geïntimeerde] wijst evenwel terecht op het probleem dat die periode niet gelijk loopt met de periode van vergunningverlening en hij heeft voor het tijdvak 1 april 1995 tot 1 oktober 1995 (waarover hij niet een vergunning voor beperkte tijd kon geven) een voorziening aangeboden die naar het oordeel van het hof als een genoegzame compensatie kan worden beschouwd, zulks mede gelet op het door [geïntimeerde] uiteengezette en door [appellant] niet gemotiveerd betwiste betrekkelijke belang van het jachtgenot in die periode. Voor terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling dan wel op enige andere grondslag is derhalve geen aanleiding, zodat de vordering van [appellant] op dit punt afgewezen dient te worden.

4.9 Dat geldt ook voor zijn vorderingen uit hoofde van kosten rechtsbijstand (f 4.500,=), immateriële schade (f 4.500,=) en toekomstige schade (f 10.080,=), aangezien deze vorderingen hun grondslag vinden in de hiervoor niet gehonoreerde stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] gehouden was 7b-verklaringen te verstrekken, alsmede voor de vorderin-gen uit hoofde van nasalaris (f 315,=) en betekenings-kos-ten (f 111,74) die verband houden met het vernietigde vonnis in kort geding waarbij de vordering van [appellant] die op die stelling was gebaseerd werd toegewezen.

4.10 [appellant] vordert verder terugbetaling van zijns inziens te veel betaalde bedragen in de periode 1987 tot 1993 (f 5.454,=) en in de periode 1993 tot 1995 (f 1.920,=), in totaal f 7.374,=. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 juli 1997 [appellant] toegelaten de betalingsafspraak die hij aan deze vordering ten grond-slag legt te bewijzen, en in het eindvonnis van 9 juni 1998 het bewijs geleverd geacht en op dit punt de vorde-ring van [appellant] toegewezen.

4.11 [geïntimeerde] stelt zich in de toelichting op zijn eerste grief in het incidenteel appel op het standpunt dat de rechtbank geen bewijsopdracht had dienen te verstrekken, omdat een mondelinge betalingsafspraak als door [appellant] gesteld in strijd is met het bepaalde in artikel 6 Jachtwet, zodat deze niet rechtsgeldig en rechtens niet afdwingbaar is.

4.12 Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Partijen gaan ervan uit dat [geïntimeerde] in beide periodes aan [appellant] het jachtgenot heeft verstrekt en dat [appellant] hiervoor aan [geïntimeerde] een tussen partijen overeengekomen vergoeding verschuldigd is. Bij deze grief is niet de grondslag voor het verstrekken van het jachtgenot zelf aan de orde (middels een huurovereenkomst conform artikel 6 Jachtwet dan wel jaarlijkse vergunningen conform artikel 7 Jacht-wet) of de verplichting om daarvoor een vergoeding te betalen, maar is alleen grondslag voor de bepaling van de hoogte van die vergoeding aan de orde. Naar het oordeel van het hof brengt het bepaalde in artikel 6 Jachtwet niet mee dat partijen niet de vrijheid zouden hebben daaromtrent (ook) mondeling (nadere) afspraken te maken. Dat partijen een dergelijke afspraak gemaakt hebben, is vervolgens aan [appellant], die zich op zodanige afspraak beroept, te bewijzen. Het hof kan zich dus vinden in de bewijsopdracht die aan [appellant] is verstrekt. [appellant] heeft vervolgens voldoende bewijs geleverd, zodat het hof zich ook kan vinden in de beoordeling door de rechtbank van de bewijsvoering en de daaraan verbonden conclusie dat de vordering van [appellant] ten bedrage van f 7.374,= kan worden toegewezen.

Aan het bezwaar dat [appellant] in zijn memorie van grieven tegen de formulering van de bewijsopdracht naar voren brengt (het gebruik van de term ‘onderhuurders’) gaat het hof voorbij nu [appellant] bij behandeling van dit bezwaar gezien hetgeen hiervoor is overwogen geen belang heeft.

4.13 Onder 4.7 is vastgesteld dat de door [appellant] gevor-derde verklaring voor recht niet toegewezen kan worden. Het bovenstaande brengt mee dat voor het overige de vordering tot betaling van in totaal f 31.971,24 slechts tot een bedrag van f 7.374,= (f 2.458,= per persoon) met de wettelijke rente daarover toewijsbaar is. De grieven I, II en III van [appellant] die hiertegen opkwamen, dienen verworpen te worden.

4.14 In reconventie heeft [geïntimeerde] betaling van een bedrag van f 10.080,= gevorderd omdat het hem door de executie van het vonnis in kort geding niet mogelijk is geweest voor de periode oktober 1995 tot oktober 1996 het jacht-ge-not aan derden te verhuren. Deze vordering heeft de rechtbank toegewezen. Tegen deze beslissing richt zich grief IV van [appellant].

4.15 Blijkens zijn toelichting op deze grief stelt [appellant] zich op het standpunt dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan aard en inhoud van het vonnis in kort geding en dat hem gezien zijn wanprestatie jegens [appellant] geen enkel bedrag toekomt. Daarnaast betwist [appellant] dat [geïntimeerde] voor de bewuste periode geen anderen had kunnen vinden. Volgens [appellant] bestaat voor jachtrechten in Nederland altijd voldoende belangstelling; van deze stelling biedt hij ook bewijs aan. Subsidiair wijst hij erop dat [geïntimeerde] zelf stelt dat zijn rechtsbetrekkingen met [appellant] per 1 oktober 1995 waren geëindigd zodat het hem per die datum vrijstond met anderen in zee te gaan. [geïntimeerde] betwist een en ander.

4.16 Het hof kan zich in dit standpunt van [appellant] niet vinden. Het vonnis in kort geding bracht voor [geïntimeerde] mee dat hij voor de periode oktober 1995 tot oktober 1996 aan [appellant] was gebonden dus niet met derden afspraken kon maken die daarmee strijdig zouden zijn. In hoeverre [geïntimeerde] op correcte wijze aan het vonnis heeft voldaan en in hoeverre [appellant] er daadwerkelijk gebruik van heeft gemaakt of heeft kunnen maken, is in dit verband niet relevant. Het vonnis is door het arrest van dit hof van 1 april 1996 immers vernietigd, zodat daaruit voor [appellant] geen rechten en voor [geïntimeerde] geen verplichtingen voort-vloei-den. Tot dat arrest was [geïntimeerde] aan het vonnis en dus aan [appellant] gebonden; gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] toen aan derden het jachtgenot heeft verstrekt. Door [geïntimeerde] is voldoende aannemelijk gemaakt dat het arrest op een zodanig moment in het seizoen kwam, dat het redelij-ke--rwijze niet meer mogelijk was voor het restant van de periode nog anderen te vinden. Het enkele gegeven dat in Nederland voldoende belangstelling bestaat voor jacht-rech-ten doet daaraan niet af, zodat het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt als niet relevant gepasseerd wordt. Het gegeven dat [geïntimeerde] zelf de rechtsbetrekkingen tussen partijen per 1 oktober 1995 als geëindigd beschouwde, is in dit verband niet van belang, aangezien het vonnis in kort geding hem verplichtingen jegens [appellant] oplegde die aan afspraken met derden in de weg stonden. De slotsom is dan ook dat ook grief IV van [appellant] faalt.

4.17 In reconventie heeft [geïntimeerde] verder terugbetaling gevorderd van een bedrag van f 1.817,33 dat hij ingevolge de proceskostenveroordeling te zijnen laste in het vonnis in kort geding aan [appellant] heeft voldaan, terwijl [appellant] bij arrest van dit hof van 1 april 1996 (mede) in de kosten van dat geding in eerste aanleg is veroordeeld. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 juli 1997 onder 3.9 overwogen dat [geïntimeerde] in deze vordering niet ontvangen kan worden, omdat het hof in zijn arrest van 1 april 1996 de proceskosten in beide instanties heeft geliquideerd.

4.18 Hiertegen richt zich in incidenteel appel de derde grief van [geïntimeerde]. Deze grief is terecht voorgedragen. Het gaat bij deze vordering niet om de vaststelling van de proceskosten in het kort geding, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent, maar om een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling omdat hetgeen [geïntimeerde] naar aanleiding van het vonnis aan proceskosten aan [appellant] heeft voldaan niet door hem voldaan had behoeven te worden. De vernietiging van het vonnis impliceert immers mede vernietiging van deze beslissing over de proceskosten die [geïntimeerde] aan [appellant] moest voldoen, en ook daadwerkelijk heeft voldaan. Dit staat los van hetgeen [appellant] zelf ingevolge het arrest aan proceskosten in eerste aanleg diende te voldoen. De vordering van [geïntimeerde] tot betaling van f 1.817,33 is dus voor toewijzing vatbaar. De wettelijke rente hierover per 1 april 1996 is door [appellant] niet afzonderlijk betwist. Op dit punt dienen de bestreden vonnissen te worden vernietigd.

4.19 Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof met betrek-king tot de vorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld grotendeels tot hetzelfde resultaat komt als de rechtbank in de bestreden vonnissen. De proceskos-ten-ver-oor-deling in eerste aanleg acht het hof met dat resultaat in overeenstemming; de toewijzing van het bedrag van f 1.817,33 maakt dat niet anders. Grief V van [appellant] in principaal appel en grief 2 van [geïntimeerde] in incidenteel appel, die beide op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg betrekking hebben, dienen dan ook te worden verwor-pen.

4.20 Voor het overige zijn door partijen over en weer geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewe-zen, tot een ander oordeel leiden, zodat voor bewijsleve-ring geen aanleiding is.

4.21 Wat de proceskosten in hoger beroep aangaat stelt het hof vast dat in principaal appel [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd en in incidenteel appel [geïntimeerde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Dienovereenkomstig zullen zij de proceskosten dienen te dragen.

5. De beslissing

Het hof:

In principaal appel en in incidenteel appel

bekrachtigt het tussenvonnis van 1 juli 1997 en het eindvonnis van 9 juni 1998 van de rechtbank te Breda (rolnummer 28004/HA ZA 95-2025), met dien verstande dat [appellant] daarnaast hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van f 1.817,33 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 april 1996 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vonnissen in zoverre worden vernietigd;

veroordeelt [appellant] hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op f 920,= aan verschotten en op f 1.700,= aan salaris procureur;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in inciden-teel appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op f 600,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Meulenbroek en Begheyn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 december 2000.