Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8914

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/04322
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/504
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr.98/04322

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het verzet van H te U tegen de beschikking van de voorzitter van de Belastingkamer van dit Hof d.d. 17 september 1999 op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling middelen van de gemeente U (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de beschikking Wet waardering onroerende zaken, nummer 21426.

De behandeling van het verzet

Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzet plaatsgevonden. Belanghebbende heeft niet gevraagd in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.

De gronden voor de beslissing

1. Belanghebbende is bij voornoemde beschikking niet-ontvankelijk verklaard in het beroep, uit overweging dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak van de ambtenaar bij de griffie van het Gerechtshof is binnengekomen.

2. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking tijdig verzet gedaan.

3. Belanghebbende heeft niet bestreden dat het afschrift van de bestreden uitspraak met dagtekening 30 juni 1998 ter post is bezorgd en dat het beroepschrift, gedagtekend 12 augustus 1998, op 13 augustus 1998 per fax en op 17 augustus 1998 per post bij de griffie van het Gerechtshof is binnengekomen.

4. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken; deze termijn eindigde op 11 augustus 1998. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna de Awb).

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beroepstermijn is overschreden. Niet-ontvankelijkverklaring kan dan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende voert daartoe in zijn verzetschrift en een brief aan het Hof van 14 februari 2000 aan dat hij eerst op 10 augustus 1998 van curator V een copie van de uitspraak van het Hoofd van de afdeling middelen van de gemeente U per fax ontving.

Uit een brief van curator V aan belanghebbende van 9 februari 2000 blijkt tevens dat de post gericht aan belanghebbende bij de curator werd verzameld en gemiddeld een maal per maand werd doorgezonden naar belanghebbende. Het Hof hecht, het voorgaande in ogenschouw nemend, geloof aan de verklaring van belanghebbende dat hij zo snel als redelijkerwijs mogelijk was beroep heeft ingesteld.

6. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende bij de beschikking van de voorzitter ten onrechte niet- ontvankelijk in het beroep is verklaard.

7. Het verzet is derhalve gegrond, zodat de beschikking van de voorzitter vervalt en de zaak alsnog in behandeling wordt genomen.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De beslissing

Het Hof verklaart het verzet gegrond, vernietigt de beschikking van de voorzitter en bepaalt dat de zaak alsnog in behandeling wordt genomen.

Aldus vastgesteld op 27 november 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 27 november 2000