Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8365

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21334
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/21334

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (de destijds ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur; hierna, evenals het inmiddels ten aanzien van belanghebbende bevoegde Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Q van de rijksbelastingdienst, aan te duiden als: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 11 oktober 2000 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 25 oktober 2000, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden:

(1) In de laatste volzin van de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 26 augustus 1996 is vermeld dat belanghebbende beroep kan aantekenen na ontvangst van “de beschikkingen”. Nu belanghebbende een dergelijke beschikking nimmer heeft ontvangen en het beroep is ingesteld binnen zes weken na de nadere brief van de Inspecteur van 27 augustus 1997, is het beroep, mede gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, ontvankelijk.

De evenvermelde brief van de Inspecteur van 26 augustus 1996 heeft weliswaar betrekking op zowel het jaar 1993 als het jaar 1994, doch de eveneens evenvermelde nadere brief van de Inspecteur van 27 augustus 1997 heeft uitsluitend betrekking op het jaar 1994. Voor splitsing van de brief van 26 augustus 1996 bestaat derhalve, mede nu belanghebbende afzonderlijke beroepschriften voor de jaren 1993 en 1994 heeft ingediend en mede uit een oogpunt van proceseconomie, geen reden.

(2) Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat beoordeeld naar de ten tijde van het opmaken van de jaarstukken op 20 februari 1996 bij hem aanwezige kennis omtrent de per ultimo 1994 bestaande toestand, per ultimo 1994 een redelijke mate van zekerheid bestond dat hij meer dan het door de Inspecteur aanvaarde bedrag van fl. 100.000,= zou moeten terugbetalen.

(3) Belanghebbende, op wie ook in dezen de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het risico dat hij arbeidsongeschikt zal raken, wordt opgeroepen of vergroot door de onderhavige onderneming. Toepassing van artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met betrekking tot dit risico is derhalve niet mogelijk, nu dit artikel immers uitsluitend het oog heeft op de dekking van risico's welke worden opgeroepen door de uitoefening van de onderneming (verwezen zij naar het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1987, BNB 1990/191).

(4) Gelet op hetgeen onder (2) en (3) is overwogen, is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

(5) Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

(6) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 25 oktober 2000 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en P. Fortuin, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 30 oktober 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende

fl. 150,=. Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van fl. 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.