Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8144

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG C0000731/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. G/MC

rolnr. KG C0000731/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 3 oktober 2000,

gewezen in de zaak van:

[Appellante],

gevestigd te Veldhoven,

appellante,

procureur: mr. R. van den Berg Jeths,

t e g e n:

het openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid

de arbeidsvoorzieningsorganisatie,

gevestigd te 's-Gravenhage,

tevens kantoorhoudende te Eindhoven,

geïntimeerde,

procureur: mr. W.M.C. van der Eerden,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 juli 2000 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen appellante, [appellante], als eiseres en geïntimeerde, Arbeidsvoorziening, als gedaagde op 11 juli 2000 onder nummer 3167 KG ZA 00-435 in kort geding gewezen.

1. Het geding in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het bestreden vonnis

2. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding heeft [appellante] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft zij geconcludeerd

te vernietigen het vonnis, waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende geïntimeerde alsnog te veroor-delen om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, aan eiseres te voldoen de somma van f. 823.379,28, althans een in goede justitie te bepalen voorschot daarop, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van f. 795.376,-- vanaf 19 mei 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding.

Bij memorie van antwoord heeft Arbeidsvoorziening, onder overlegging van producties, de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing, althans niet-ontvankelijk-heid van het hoger beroep, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

Ieder van partijen heeft een akte genomen tot overlegging van producties. Partijen hebben hun zaak, onder over-legging van pleinota’s, doen bepleiten en hebben tenslot-te de stukken overgelegd voor arrest.

3. De gronden van hoger beroep

De grieven I, III en IV hangen samen. Zij richten zich, samengevat, tegen het voorlopig oordeel van de president, dat onvoldoende vaststaat, dat Arbeidsvoorziening als opdrachtgever van [appellante] kan worden aangemerkt.

Grief II betreft de vraag of de, sectormanager van Arbeidsvoorziening, bevoegd was namens Arbeidsvoorziening te handelen en de overeenkomst van

12 mei 2000 tussen partijen namens Arbeidsvoorziening aan te gaan.

Grief V richt zich tegen de overweging van de president, dat de geldvordering van [appellante] onvoldoende aannemelijk is geworden en bovendien de vordering moet worden afgewezen omdat vanwege de benarde financiële positie van [appellante] sprake is van een aanzienlijk restitutierisico.

4. De beoordeling

4.1. In deze zaak gaat het om het volgende.

[appellante] is een onderneming die bedrijven en instellingen adviseert en begeleidt met betrekking tot 'kwaliteit'. In 1997 heeft Arbeidsvoorziening [appellante] uitgenodigd om een voorstel in te dienen voor een SCORE-project (Stimulans Certificering Ondernemingen Regio Eindhoven). Dit resulteerde in een opdracht van Arbeidsvoorziening aan [appellante] (het SCORE I-project). Daaraanvolgend heeft [appellante] in de periode 1997 tot en met 1999 in goed overleg met Arbeidsvoorziening een aantal soortgelijke projecten aangevangen. Deze projecten werden gefinancierd door het Europees Sociaal Fonds (ESF). Daartoe diende Arbeids-voorziening telkens subsidieaanvragen in bij ESF, dat in een dergelijk geval subsidies verleent onder een aantal voorwaarden, die onder meer betrekking hebben op de inrichting van de administratie van de door medewerkers van [appellante] en van de deelnemende ondernemingen bestede uren. Betaling van de werkzaamheden van [appellante] vindt plaats middels door Arbeidsvoorziening ter beschikking gestelde voorschotten, die zijn afgestemd op de subsidiëring door het ESF. Dit houdt in dat, na goedkeuring van een inge-diende aanvraag, een voorschot wordt betaald van 50% van de in het eerste jaar begrote subsidie, vervolgen 30% als uit de tussentijdse kwartaalrapportages blijkt dat daarvoor gronden bestaan en het restant via een slotrap-portage. De rapportages, waarbij zich onder meer door de deelnemende bedrijven getekende overzichten van door eigen medewerkers aan het project bestede uren bevinden, dienen tevens als facturen, die, na min of meer globale toetsing, door Arbeidsvoorziening worden betaald. In oktober 1998 is tussen partijen een probleem gerezen over een onjuiste bemoeienis van [appellante] met de administratie van de uren van deelnemende bedrijven, die van belang is voor (de hoogte van) de ESF-subsidie. Dit conflict resulteerde in een afspraak tussen partijen dat [appellante] vanaf december 1998 geen bemoeienis meer met het opstellen en toetsen van deze urenspecificaties zou hebben; vanaf die tijd volstond [appellante] met het opvragen van de specificaties bij de deelnemende bedrijven en vervolgens het insturen van deze specificaties ten behoeve van de subsidieaanvraag. Bovendien ging Arbeidsvoorziening zich rechtstreeks bemoeien met de voorlichting van de deelnemende bedrijven over de wijze, waarop volgens ESF-regelgeving de uren-administratie door deze bedrijven moest worden ingericht. In 1999 werden, na negatieve publiciteit, landelijk controleurs op pad gestuurd om onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van de toegekende subsidie, zo ook bij de projecten van [appellante]. Dit onderzoek is nog niet afgerond. Volgens Arbeidsvoor-ziening geven de voorlopige resultaten van het onderzoek aan, dat ten onrechte subsidies zijn verstrekt. Om deze reden ontvangt [appellante]

geen betaling meer van enkele voorschotdeclaraties ad

f. 649.957,-- voor verrichte werkzaamheden in het laatste kwartaal 1999 en het eerste kwartaal 2000 en een bedrag van f. 145.419,-- ter zake van einddeclaraties. Aan niet betaalde facturen en nog niet gefactureerd onderhanden werk derft [appellante] momenteel een bedrag van ruim

f. 1.400.000,00, waardoor zij in acute geldnood is komen te verkeren, mede doordat zij, buiten de onderhavige projecten, niet veel ander werk heeft. Arbeidsvoorziening erkent, dat op de kwaliteit van het werk van [appellante] niets is aan te merken.

4.2. Arbeidsvoorziening stelt zich op het standpunt, dat zij geen opdrachtgever van [appellante] is maar slechts fungeert als een soort intermediair tussen ESF en [appellante]. Tussen deze laatsten bestaat volgens Arbeidsvoorziening een publiek-rechtelijke betrekking. Arbeidsvoorziening vraagt subsidie aan bij ESF ten behoeve van [appellante]. Daarbij worden alle, bij [appellante] bekende, rechten en plichten verbonden aan de subsidie "doorgecontracteerd" naar [appellante]. Uitsluitend ten behoeve van de continuïteit van de onderneming van [appellante] verleent Arbeidsvoorziening voorschotten. Daartoe beperkt zich de contractuele relatie volgens Arbeidsvoorziening tussen haar en [appellante].

4.3. Naar het voorlopig oordeel van het hof brengt, zelfs indien de contractuele relatie tussen partijen zo beperkt moet worden opgevat als Arbeidsvoorziening stelt, dit nog niet mee, dat Arbeidsvoorziening haar voorschotbetalingen mag staken, zoals zij heeft gedaan.

4.4. De vanaf 1997 bestaande rechtsbetrekking tussen partijen, zoals feitelijk onder 4.1. omschreven, in het kader waarvan tussen partijen over een langere periode in goed overleg op dezelfde manier via een systeem van bevoorschotting zaken zijn gedaan brengt, anders dan Arbeidsvoorziening kennelijk wil betogen, niet mee, dat het risico van stopzetting dan wel terugvordering van subsidies door ESF zonder meer bij [appellante] berust.

4.5. Arbeidsvoorziening heeft voorlopige onderzoeks-bevindingen overgelegd van de hand van de medewerker van Arbeidsvoorziening. Uit deze schriftelijke rapportage is af te leiden, dat het onderzoek zich met name richt op mogelijke onjuistheden en/of onvolkomenheden bij de opgaven van de uren door de deelnemende bedrijven. Het komt het hof voorshands voor, dat, gelet op de hierover in december 1998 gemaakte afspraken, [appellante] hiervoor niet verantwoordelijk kan zijn. Naar het voorlopig oordeel van het hof dient Arbeids-voorziening, gelet op deze afspraken en de rechtstreekse betrokkenheid van Arbeidsvoorziening bij de voorlichting aan de deelnemers over de inrichting van deze urenopgaven, te worden belast met het risico, indien, zoals mogelijk in dit geval, op deze grond subsidie in gevaar komt. Weliswaar is bij pleidooi in hoger beroep zijdens Arbeidsvoorziening naar voren gebracht, dat [appellante] onjuiste opgave heeft gedaan van uren van haar eigen medewerkers, maar het hof zal deze toen voor het eerst naar voren gebrachte en door [appellante] betwiste stelling, die niet uit de schriftelijke rapportage van de [medewerker van Arbeidsvoorziening] blijkt, passeren.

4.6. Op grond van het voorgaande is het hof voorshands van oordeel, dat de rechtsbetrekking tussen partijen mee-brengt, dat er een voldoende aannemelijke betalings-

ver-plichting van Arbeidsvoorziening jegens [appellante] bestaat tot het bedrag van de ingediende facturen zijnde

f. 795.376,--. In zoverre zijn de grieven I, III en IV gegrond. In het kader van dit geding acht het hof de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar. In een bodemprocedure kan worden beslist of deze kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt.

4.7. Het hof acht de vordering van [appellante] tot dit bedrag toewijsbaar, te vermeerderen met de daarover gevorderde rente. Het hof is, in weerwil van het betoog van Arbeidsvoorziening, van oordeel, dat aan de door de rechtspraak gestelde maatstaven voor de veroordeling tot de betaling van een geldsom in kort geding is voldaan. De vordering is, tot aan het toegewezen bedrag, voldoende aannemelijk, de voorziening is geboden uit hoofde van onverwijlde spoed, nu de continuïteit van de onderneming van [appellante] acuut wordt bedreigd, en het restitutierisico, waarop Arbeidsvoor-ziening zich beroept, is door de gedeeltelijke toewijzing van de vordering beperkt. Voorts is dit risico door het ten onrechte niet-betalen door Arbeidsvoorziening zelf veroorzaakt, waarbij overigens nog kan worden opgemerkt, dat dit risico door en naar rato van (spoedige) betaling zal verminderen. In zoverre slaagt grief V.

4.8. Grief II behoeft, gelet op de gedeeltelijke gegrondbevinding van de overige grieven, geen verdere bespreking.

4.9. Nu de vordering van [appellante] grotendeels wordt toegewezen, zal het hof Arbeidsvoorziening veroordelen in de proceskosten, zowel in de eerste instantie als in hoger beroep.

5. De uitspraak

vernietigt het vonnis van de president van de rechtbank

te 's-Hertogenbosch, op 11 juli 2000 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende,

veroordeelt Arbeidsvoorziening om, tegen deugdelijk bewijs van kwijting, aan [appellante] te voldoen f. 795.376,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

19 mei 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Arbeidsvoorziening in de kosten van het geding aan de zijde van [appellante] gevallen en tot heden begroot op f. 2.032,78 in de eerste instantie en in hoger beroep op f. 9.449,82 aan verschotten en f. 8.100,-- aan salaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mrs De Kok, Van Griensven en

Van Maanen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 oktober 2000.