Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8077

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/01805
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/13.23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 94/01805

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer A te H (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen X van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan hem met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1988 tot en met 31 december 1991, aanslagnummer 000.00.000.F.00.0000, en het bij het vaststellen van die aanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde naheffingsaanslag bedraagt fl. 73.292,= aan enkelvoudige belasting en een verhoging van fl. 18.323,=. Na tijdig door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en het kwijtscheldingsbesluit bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraak en dit kwijtscheldingsbesluit in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 juni 1996 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, de heer G als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer J en ter bijstand van deze de heer C .

Na de eerste zitting heeft er tussen partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij de bepalingen van de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (tekst 1996) in acht zijn genomen.

De tweede zitting heeft plaatsgehad op 21 september 1999 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, de heer mr. drs. E, verbonden aan B Accountants - Belastingadviseurs - Juristen, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door G, alsmede, namens de Inspecteur, de heren J en C voornoemd.

Tijdens de eerste zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof en aan de Inspecteur overgelegd. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota een drietal bijlagen overgelegd.

Voor de tweede zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een memorie met bijlagen toegezonden aan het Hof en aan de Inspecteur. Tijdens de tweede zitting heeft de Inspecteur een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof en aan belanghebbende overgelegd. Het Hof rekent de pleitnota's en alle overige ingezonden en overgelegde stukken, waarvan partijen ter tweede zitting hebben verklaard daarover te beschikken, tot de gedingstukken.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde op beide zittingen, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert in het onderhavige tijdvak een paardenhouderijbedrijf en is als zodanig ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met het fokken, beleren en verkopen van paarden en pony's en de exploitatie van een manege, waar les wordt gegeven en waar particulieren in de gelegenheid worden gesteld hun paarden te stallen (hierna: het manegebedrijf).

2.2. Belanghebbende beschikt daartoe over stalaccommodatie, een overdekte rijhal, een tweetal zadelkamers, een kantine met horecavergunning en mestopslag met een milieuvergunning.

2.3. Het manegebedrijf beschikt over eigen paarden, al dan niet uit eigen aanfok, die worden gebruikt om les te geven. Tevens biedt het bedrijf gelegenheid om paarden van particulieren (hierna: pensionpaarden) te stallen. De eigenaren van deze pensionpaarden mogen meerijden in de lessen die in de manege worden gegeven en mogen gebruik maken van alle faciliteiten die op het bedrijf aanwezig zijn.

In de stallingprijs voor de pensionpaarden zijn in ieder geval de volgende elementen begrepen:

- de huur van de box waarin het pensionpaard gestald wordt,

- verlichting van de box en water in de box ,

- het voeren van het paard met krachtvoer, zogenaamde paardenbrok, en ruwvoer zoals hooi en zogenaamd kuilvoer,

- het uitmesten van de boxen, het opstrooien met schoon stro en het opslaan van de mest tot deze wordt afgevoerd,

- het houden van toezicht en het nemen van adequate maatregelen in geval van ziekte van het paard of andere calamiteiten.

Partijen zijn tijdens de procedure overeengekomen 50 % van de pensionprijs toe te rekenen aan de verhuur van de paardenboxen.

Voeren, uitmesten en toezicht houden worden veelal uitgevoerd door op het bedrijf werkzame stagiaires.

2.4. Belanghebbende beschikte in de onderhavige periode niet over een zogenaamde stapmolen en slechts in beperkte mate over de mogelijkheid tot weidegang en/of uitloop voor de (pension)paarden.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Naar partijen ter tweede zitting uitdrukkelijk hebben verklaard is tussen hen uitsluitend nog in geschil het antwoord op de volgende vragen.

a. Is 50 % van de pensiongelden te belasten naar het algemene tarief, nu geen sprake is van levering van veevoer maar van verzorging van paarden (standpunt Inspecteur) of vormt 50 % van de pensiongelden de vergoeding voor het leveren van veevoer, hetgeen op grond van de bij de Wet behorende Tabel I post a.44 onderworpen is aan het verlaagde tarief (standpunt belanghebbende)?

b. Indien de eerste vraag in het voordeel van de Inspecteur moet worden beantwoord, is er dan sprake van een tussen partijen gesloten compromis op grond waarvan het gelijk toch aan belanghebbende is?

c. Is in de onderhavige naheffingsaanslag terecht een bedrag van fl. 1.858,- begrepen wegens het voor privé-doeleinden gebruiken van de tot het ondernemingsvermogen behorende personenauto? Belanghebbende bestrijdt deze correctie op grond van het bij hem gewekte vertrouwen dat de door hem gevolgde methode van afdracht van omzetbelasting over het privé-gebruik van de bedrijfsauto correct was.

d. Is in de onderhavige naheffingsaanslag terecht een bedrag van fl. 1.285,- begrepen wegens op privé-uitgaven drukkende voorbelasting, welke door belanghebbende in aftrek is gebracht? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan op beide zittingen geen argumenten toegevoegd.

Belanghebbende heeft tijdens de tweede zitting verklaard af te zien van het door hem gedane getuigenaanbod. Verder heeft hij tijdens deze zitting verklaard dat de boxen dagelijks werden uitgemest, dat dit per keer 5 minuten kostte en dat aan het houden van toezicht meer dan fl. 7,= per maand van de pensionprijs is toe te rekenen.

De Inspecteur heeft tijdens de tweede zitting verklaard dat de gehele verhoging kan komen te vervallen, dat de ambtshalve vermindering als aangekondigd in de brief van 18 mei 1994 niet is gegeven en dat door hem geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van fl. 47.101,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging.

De Inspecteur concludeert eveneens tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van fl. 61.415,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Gelet op de onder 2.2 en 2.3 vermelde feiten is het Hof van oordeel dat belanghebbende, naast de verhuur van de paardenboxen, waaraan naar partijen zijn overeengekomen 50 % van de pensionprijs is toe te rekenen, een naar maatschappelijke opvattingen als één geheel (verzorging van de paarden) te beschouwen prestatie verricht, die is opgebouwd uit het verstrekken van kracht- en ruwvoer, het uitmesten en opstrooien van de box, het ter beschikking stellen van licht en water, het houden van toezicht en het handelend optreden in geval van ziekte van het paard en andere calamiteiten en het medegebruik van zadelkamers, toiletten, kantine en parkeerruimte door de cliënten van belanghebbende. Het leveren van veevoer maakt niet een dermate overheersend onderdeel van het genoemd agglomeraat van diensten en leveringen uit dat alle andere leveringen en diensten in de levering van het veevoer opgaan. Hieruit volgt dat er sprake is van een (onsplitsbare) prestatie door belanghebbende jegens zijn cliënten, welke prestatie niet kan worden gerangschikt onder het bepaalde in Tabel I, post a. van de Wet, doch belast is naar het algemene tarief van 17,5 %. Bij de eerste aan de orde zijnde vraag is het gelijk dus aan de zijde van de Inspecteur.

4.2. Belanghebbende stelt dat er met betrekking tot de toepassing van post a.44 van Tabel I sprake is van een tussen hem en de Inspecteur gesloten compromis.

Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het Hof, tegenover de ontkenning daarvan door de Inspecteur, onvoldoende aangevoerd om het bestaan van een dergelijk compromis aannemelijk te maken.

Uit de gedingstukken blijkt naar het oordeel van het Hof evenmin van uitlatingen en/of toezeggingen van de Inspecteur die bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen konden wekken dat voor het gedeelte van de pensionprijs dat niet als verhuur van een onroerende zaak kan worden beschouwd op grond van post a.44 van Tabel I het verlaagde tarief zou worden toegepast.

Ook bij de tweede aan de orde zijnde vraag is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

4.3. Belanghebbende beroept zich voor wat betreft de correctie privé-gebruik auto op een in het verleden met de Inspecteur gemaakte afspraak, maar is er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd het bestaan van een dergelijke afspraak aannemelijk te maken. Ook anderszins is het Hof niet gebleken van uitlatingen van de zijde van de Inspecteur die bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen konden wekken dat naheffing van omzetbelasting op dit punt achterwege zou blijven.

Belanghebbende heeft evenmin voldaan aan de op hem rustende bewijslast te doen blijken dat er met de tot het bedrijfsvermogen behorende personenauto in de onderhavige jaren telkens minder dan 2.000 respectievelijk 1.000 kilometer per jaar voor privé-doeleinden is gereden; met name heeft belanghebbende geen sluitende kilometeradministratie overgelegd waaruit van een dergelijk gering privé-gebruik zou kunnen blijken.

4.4. Met betrekking tot het vierde geschilpunt merkt het Hof het volgende op. De Inspecteur heeft de litigieuze voorbelasting welke belanghebbende heeft afgetrokken, nageheven omdat van deze uitgaven niet is bewezen dat het hier goederen en/of diensten betrof die worden gebruikt binnen het kader van de door belanghebbende uitgeoefende onderneming. De Inspecteur heeft aangevoerd dat door de controlerend ambtenaar is geconstateerd, dat het hier goederen betrof welke geheel voor privé-doeleinden worden gebezigd, zoals onder meer kleding en een surfhorloge. Belanghebbende heeft deze stelling van de Inspecteur niet, althans niet voldoende gemotiveerd bestreden. Het gelijk is ook bij het vierde geschilpunt aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat de uitspraak op het bezwaarschrift wordt vernietigd en dat de naheffingsaanslag wordt verminderd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belang-hebbendes proceskosten. Belanghebbende heeft uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de hem in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 3 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is fl. 2.130,=.

5.2. Nu de uitspraak op het bezwaarschrift wordt vernietigd en de naheffingsaanslag wordt verminderd, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van fl. 61.415,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een

bedrag van fl. 2.130,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de

rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte

griffierecht ad fl. 75,= wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 18 oktober 2000 door G.J. van Muijen, voorzitter, M.E. van Hilten en M.W.C. Feteris, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 18 oktober 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.