Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7910

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
20.002933.99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.002933.99

uitspraakdatum: 29 september 2000

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

economische kamer

A R R E S T

gewezen na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te Almelo van 6 november 1997 in de strafzaak onder parketnummer 35084-96 tegen:

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 16 november 1999 onder nr. 111.208 E heeft de Hoge Raad der Nederlanden het arrest van het gerechtshof te Arnhem, economische kamer, van 30 maart 1998 vernietigd en de strafzaak verwezen naar dit hof ter verdere afdoening met inachtneming van zijn uitspraak.

Het hof is, gelet op het hierna genoemde ter terechtzitting van het hof aanstonds gevoerde prèliminaire verweer, niet toegekomen de verdachte de vraag te stellen of het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd. Het hof zal echter, gelet op hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard ter terechtzitting van het hof te Arnhem, verstaan dat het hoger beroep daartegen niet is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 november 1995 tot en met 26 januari 1996, in de gemeente [plaats], meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in perceel [straat], althans in een aan de [straat] gelegen perceel, al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om door middel van het (kans)spel poker, althans Black Jack, althans Naturel 21, mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn vervolging op grond van:

a. -kort gezegd- de overschrijding van de redelijke termijn;

b. de schending van het vertrouwensbeginsel, op grond van het feit dat terwijl de controles door de opsporingsambtenaren ook gericht waren op de kaartspelen, er geen brief is gezonden aan verdachte waarin werd gewaarschuwd dat de kaartspelen in strijd zouden zijn met de Wet op de kansspelen terwijl een zodanige waarschuwing wèl is gegeven ten aanzien van het spel EurOBsGame. Door zo te handelen heeft het openbaar ministerie het vertrouwen bij verdachte opgewekt dat hij niet zou worden vervolgd voor overtreding van de Wet op de kansspelen ten aanzien van de in het casino gespeelde kaartspelen. Het openbaar ministerie is echter toch rauwelijks overgegaan tot dagvaarden zonder de verdachte een kans te geven het spel aan te passen dan wel te staken.

Het hof zal allereerst het verweer onder b behandelen, omdat bij een schending van het vertrouwensbeginsel met de vervolging van verdachte geen aanvang had mogen worden gemaakt.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.

Uit het proces-verbaal van de Regiopolitie Twente, d.d. 16 november 1995, volgt dat op 12 november 1995 door personeel van politie te Goor in gezelschap van mr. E.T. Wesselius, officier van justitie, en J. Gout van de afdeling Toezicht Kansspelen van het Nederlands Meetinstituut, een onderzoek is ingesteld in het onderhavige casino, waarbij -onder meer- werd vastgesteld dat men bezig was met het spel EurObsGame en een kaartspel.

Voornoemde J. Gout, als getuige-deskundige gehoord ter terechtzitting van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te Almelo d.d. 24 oktober 1997, heeft over dat onderzoek verklaard dat daarbij door hem werd vastgesteld welke spelen er gespeeld werden, dus ook dat er poker gespeeld werd.

Het hof stelt vast dat er op die avond door de politie of officier van justitie niet is ingegrepen na voormelde vaststelling dat het kaartspel gespeeld werd.

Het hof overweegt dat weliswaar voor wat betreft het spel EurObsGame door middel van observatie dient te worden vastgesteld of het hier een behendigheidsspel betreft, maar dat dit niet geldt voor het kaartspel.

Voornoemde officier van justitie heeft in zijn brief van 13 december 1995 aan -kort gezegd- verdachte -zakelijk weergegeven- medegedeeld dat geconstateerd is dat in het betreffende pand het kansspel EurOBsGame wordt gespeeld en dat hij dit spel diende te staken binnen een bepaalde termijn.

Het hof constateert dat in deze brief niet wordt gesproken over de beëindiging van enig kaartspel.

Het hof is op grond van voormeld achterwege blijven van een actief optreden tegen de spelers en de gelegenheidgever van het kans/kaartspel in samenhang bezien met de inhoud van bedoelde brief van oordeel dat de verdachte daaruit kon en mocht afleiden dat hij niet achteraf zou worden vervolgd voor dat in het casino gespeelde kaartspel.

Gelet op voormelde gang van zaken -van bijzondere omstandigheden die deze gang van zaken zouden kunnen billijken is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken- levert de vervolging van de verdachte een schending op van het vertrouwensbeginsel, zijnde een beginsel van een behoorlijke procesorde, en dient het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn strafvervolging.

Het hof overweegt met betrekking tot de door de advocaat-generaal gevorderde onttrekking aan het verkeer van de in bijlage V vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, dat het hof hieromtrent, gelet op het bepaalde in artikel 36b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 353, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen beslissing zal nemen.

B E S L I S S I N G :

Het Hof:

Vernietigt, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter, Mrs. Harmsen en Pijls, als raadsheren, in tegenwoordigheid van Dhr. Van Vaast, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 september 2000.