Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7680

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/02230
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/51.4.1
V-N 2001/16.10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02230

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het verzoek van X te Y tot veroordeling van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) in de kosten die belanghebbende bij het gerechtshof heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift betreffende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 en de vermogensbelasting 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 27 februari 2000 heeft belanghebbende, naar het Hof verstaat, het beroep ingetrokken en daarbij het hiervoor bedoelde verzoek gedaan. Bij brief van 24 april 2000 heeft belanghebbende het verzoek nader onderbouwd.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben er schriftelijk in toegestemd dat het Hof zonder mondelinge behandeling uitspraak doet.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast.

2.1. De Inspecteur is alsnog aan belanghebbende tegemoetgekomen nadat belanghebbende het in 1 bedoelde beroep had ingesteld. Belanghebbende heeft het beroepschrift op 23 juli 1999 ingediend en aangevuld bij brief van 2 januari 2000 bij het Hof binnengekomen op 4 januari 2000. De inspecteur heeft geen verweer gevoerd tegen dit beroepschrift.

2.2. Het beroepschrift en de overige correspondentie is namens belanghebbende telkens ondertekend door zijn dochter.

2.3. Belanghebbendes dochter is sinds 1984 directeur enig aandeelhouder van A B.V.. Belanghebbende heeft een rekening courantverhouding met A B.V. waarop huren, subsidies en onderhoudskosten van door belanghebbende verhuurde panden alsmede kosten voor administratieve en adviserende diensten voor belanghebbende worden verrekend. In het jaar 1999 heeft op deze rekening courant een verrekening plaatsgevonden in verband met werkzaamheden ten behoeve van het beroepschrift 1995.

2.4. Het betwiste bedrag was voor het onderhavige jaar, 1995, 50% (tarief) van ƒ 8.179,-- ofwel ƒ 4.089,50 en de heffingsrente daarover alsmede de heffingsrente die berekend is over de periode tussen de eerste "vaststellingsbrief" en de vaststellingsdatum van de onderhavige aanslagen. De uitkomst van de onderhavige procedure is mede van invloed voor de heffing van inkomstenbelasting premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting voor de jaren 1996 en 1997.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of in dit geval plaats is voor een proceskostenveroordeling ten laste van de Staat der Nederlanden, hetgeen belanghebbende verdedigt en de Inspecteur betwist. Het Hof gaat er hierbij van uit dat de Inspecteur met de verwijzing naar het Besluit proceskosten bestuursrecht bedoeld heeft het Besluit proceskosten fiscale procedures (hierna: het Besluit) nu ingevolge artikel V van de invoeringswet Algemene wet bestuursrecht (Wet van 29 oktober 1998, Stb. 1998, 621) het Besluit proceskosten bestuursrecht eerst geldt voor het beroep inzake belastingrecht voor beroepschriften die zijn ingediend na 1 september 1999 en de regelingen van deze besluiten nagenoeg niet verschillen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Gronden voor de beslissing

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. Het Hof is van oordeel dat met betrekking tot de in 2.3 genoemde feiten sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit. De omstandigheid dat het beroepschrift en de correspondentie enkel getekend is door de directeur enig aandeelhouder zonder vermelding van de naam van de vennootschap doet daar niet aan af. Voorts is de enige voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling de indiening van het beroepschrift geweest en is het Hof van oordeel dat het betwiste bedrag, rekening houdend met de omstandigheid dat de uitkomst van het beroep mede van invloed is voor de belastingheffing in latere jaren, niet hoger is dan ƒ 15.000,--. Het Hof stelt deze kosten derhalve vast op 1 punt maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 1 ofwel ƒ 710,--.

5. Beslissing

Het Hof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 710,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 25 september 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 25 september 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.