Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7490

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/00443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1545
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/00443

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid registratie en successie te P, van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur), op zijn bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting, jaar 1996, aanslagnummer 2.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 1.188,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, en is na tijdig door belanghebbende gemaakt bezwaar bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 27 januari 2000 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer mr. S, blijkens een ter zitting overgelegde volmacht te dezen handelende als gemachtigde van de notaris te Z (hierna: de notaris), die deze volmacht verstrekte als gemachtigde van belanghebbende met het recht van substitutie, alsmede de Inspecteur.

2. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Op 30 januari 1995 heeft op het kantoor van de notaris een bespreking plaatsgevonden met de heer en mevrouw X-T te Z (hierna: de ouders) over de economische eigendomsoverdracht van na te melden onroerende zaken aan hun vijf kinderen (hierna: de kinderen) onder voorbehoud van het levenslang recht van gebruik en bewoning van de eigen woning met bijbehorende grond.

2.2. Naar aanleiding van de onder 2.1 vermelde bespreking heeft overleg plaatsgevonden tussen de ouders en de kinderen over de voorwaarden en bedingen waaronder genoemde economische eigendomsoverdracht en vestiging van het levenslang recht van gebruik en bewoning dienden plaats te vinden.

2.3. Op grond van de bij het onder 2.2 vermelde overleg bereikte overeenstemming hebben de ouders door middel van toezending van de tekst van de akte op 6 maart 1995 aan de kinderen

een schriftelijk aanbod gedaan tot vorenbedoelde economische eigendomsoverdracht met bijbehorend levenslang recht van gebruik en bewoning.

2.4.Vier van de vijf kinderen hebben ieder aan de notaris een volmacht gezonden, die vóór 31 maart 1995 bij het kantoor van de notaris (hierna: het notariskantoor) is ingekomen, om namens ieder van hen de akte te ondertekenen zoals deze luidde in de aan ieder van hen op 6 maart 1995 toegezonden en door ieder van hen akkoord bevonden tekst.

Eén van de vijf kinderen, mevrouw B, gehuwd met de heer A, wenste echter de haar toegezonden tekst van de akte in die zin gewijzigd te zien dat daarin haar meisjesnaam zou worden opgenomen. Dientengevolge is haar volmacht om namens haar de

akte te ondertekenen eerst na 31 maart 1995 bij het notariskantoor ingekomen.

2.5. Bij notariële akte op 13 april 1995 voor de notaris verleden (hierna: de akte) heeft de vader van de kinderen, in economische eigendom overgedragen aan de kinderen, onder wie belanghebbende, ieder voor één/vijfde onverdeeld gedeelte:

a. het woonhuis, erf, bakkerij en ondergrond te Z, Astraat 1, groot 2,13 are (hierna: het woonhuis)

b. een perceel tuingrond gelegen aan de Bstraat te Z, groot 9,15 are (hierna: perceel b) en

c. een perceel grond gelegen aan de Astraat te Z, groot 1,05 are (hierna: perceel c)

onder vestiging van het levenslang recht van gebruik en bewoning ten behoeve van de ouders, en wel bij opvolging gedurende het leven van de langstlevende van hen, tegen een koopsom van fl. 72.000,=.

2.6. De rijkstaxateur heeft de onder 2.5 vermelde onroerende zaken als volgt getaxeerd:

het woonhuis, het perceel c en het verhuurde woongedeelte,

geheel in vrije staat op fl. 210.000,= en

- perceel b tegen de waarde in het economische verkeer op fl. 10.000,=

totaal fl. 220.000,=.

De waarde verhuurd van het verhuurde woongedeelte heeft de taxateur gewaardeerd op

fl. 35.000,=.

Voor de berekening van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting als volgt berekend:

eigen woning onder voorbehoud van het zakelijk recht van gebruik

en bewoning fl. 60.000,=

- verhuurd gedeelte fl. 35.000,=

- grond belast met voormeld recht van gebruik en bewoning fl. 4.000,=

totaal fl. 99.000,=

waarvan 1/5 gedeelte of fl. 19.800,=.

2.7. Desgevraagd hebben partijen ter zitting eenstemmig verklaard akkoord te gaan met een vrije verkoopwaarde van de onder 2.5 vermelde onroerende zaken van fl. 220.000,= alsmede, voor het geval het Hof beslist dat op vorenbedoelde verkrijging artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) van toepassing is, dat de totale maatstaf van heffing inzake de verkrijging van deze onroerende zaken fl. 99.000,= bedraagt.

2.8. De verkrijging is binnen de wettelijke termijn bij de belastingdienst gemeld. Bij deze melding heeft belanghebbende zich beroepen op de in artikel V, vierde lid, van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659, (hierna: de Wijzigingswet) opgenomen overgangsregeling omdat zijns inziens de overdracht heeft plaatsgevonden op grond van een schriftelijke overeenkomst die reeds vóór 31 maart 1995, 18.00 uur (hierna ook: het fatale tijdstip) bestond.

2.9. Er is geen door beide contracterende partijen vóór het tijdstip ondertekend stuk inhoudende een schriftelijke overeenkomst waarvan de, onder 2.5 onder andere vermelde, verkrijging van belanghebbende het gevolg is.

3. Het geschil, alsmede de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of ingevolge het bepaalde in artikel V, vierde lid, van de Wijzigingswet op de in de akte vermelde verkrijging artikel 2, tweede lid, van de Wet buiten toepassing dient te blijven.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. De Inspecteur, daarentegen, is van mening dat het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wet onverkort van toepassing is op

de onderhavige verkrijging.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken, waaronder voormelde pleitnota met de vijf bijlagen en de volmacht, de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

Indien al niet artikel 2, tweede lid, van de Wet buiten toepassing dient te blijven op de verkrijging van al de kinderen dan dient in ieder geval op de verkrijging van vier van hen, onder wie belanghebbende, deze bepaling buiten toepassing te blijven, daar van deze vier de schriftelijke volmachten vóór het tijdstip bij het notariskantoor zijn ingekomen.

3.2.2. De Inspecteur

Indien alle schriftelijke volmachten van de kinderen vóór het tijdstip bij het notariskantoor zouden zijn ingekomen, zou sprake zijn geweest van een schriftelijke overeenkomst vóór dat tijdstip waarvan de onder 2.5 vermelde verkrijging het gevolg zou zijn geweest.

Nu echter, naar de mening van de Inspecteur, de Wijzigingswet in een geval als het onderhavige uitgaat van één schriftelijke overeenkomst tussen de ouders en de kinderen en slechts vier van de vijf volmachten van de kinderen vóór het tijdstip bij het notariskantoor zijn ingekomen, is artikel 2, tweede lid, van de Wet van toepassing.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Beoordeling van het geschil

4.1. Bij artikel III, onderdeel A, van de Wijzigingswet is aan artikel 2 van de Wet een tweede lid toegevoegd, op grond waarvan de verkrijging van de economische eigendom als belastbaar feit voor de heffing van overdrachtsbelasting wordt aangemerkt. Krachtens artikel V, eerste lid, van de Wijzigingswet werkt deze wet, voor zover te dezen van belang, terug tot en met

31 maart 1995, 18.00 uur. In het vierde lid van gemeld artikel V wordt deze terugwerkende kracht in zoverre gemitigeerd dat genoemd artikel III, onderdeel A, van de Wijzigingswet buiten toepassing blijft indien wordt aangetoond dat de in deze bepaling bedoelde verkrijging het gevolg is van een op 31 maart 1995, 18.00 uur, bestaande schriftelijke overeenkomst.

4.2. In de parlementaire stukken welke betrekking hebben op het onder 4.1 aangehaalde artikel V, vierde lid, van de Wijzigingswet staat, voor zover te dezen van belang, in de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 27 juni 1995 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 172, nr.7) onder “1. Terugwerkende kracht” op bladzijde 5, onderaan en bladzijde 6, bovenaan:

“Voorts heb ik in de sfeer van de overdrachtsbelasting eerbiediging voorgesteld voor die economische eigendomsoverdrachten die geen onderdeel zijn van transacties met een btw-achtergrond. Het gaat dan om verkrijgingen van economische eigendom na

31 maart 1995, 18.00 uur op basis van op dat tijdstip bestaande contracten. Het moet dan wel gaan om schriftelijke overeenkomsten waarvan wordt aangetoond dat zij op genoemd tijdstip reeds tot stand waren gekomen en die bij de bevoegde inspecteur zijn aangemeld uiterlijk binnen vier weken na de inwerkingtreding van deze wet.”.

en op bladzijde 16 onderaan en bladzijde 17 bovenaan:

“Economische eigendomsoverdrachten die het gevolg zijn van een op 31 maart, 18.00 uur bestaande schriftelijke overeenkomst, vallen niet onder de heffing. Voorwaarde is dat het bestaan van de overeenkomst wordt aangetoond en dat de overeenkomst binnen vier weken na inwerkingtreding van de wet wordt aangemeld. Aantonen kan op diverse manieren. Het tonen van een notariële akte of een geregistreerde akte biedt, in verband met de zekerheid van de dagtekening, het meeste houvast. Dat wil niet zeggen dat niet op een andere manier kan worden aangetoond dat die overeenkomst bestond, bij voorbeeld door het overleggen van een makelaarscontract.”.

4.3. Onder een schriftelijke overeenkomst kan naar het oordeel van het Hof op grond van de artikelen 217 en 221 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek mede worden verstaan een schriftelijk aanbod gevolgd binnen redelijke tijd door een schriftelijke aanvaarding. De schriftelijke overeenkomst komt dan tot stand op het moment van de schriftelijke aanvaarding.

4.4. Uit het onder 4.3 overwogene vloeit voort dat voor de beantwoording van de vraag of artikel V, vierde lid, van de Wijzigingswet in casu van toepassing is, moet worden bezien of belanghebbende aan de hand van andere schriftelijke stukken dan een door beide contracterende partijen vóór 31 maart 1995, 18.00 uur ondertekend stuk, heeft aangetoond dat vóór deze datum en dit tijdstip een schriftelijke overeenkomst als bedoeld onder 4.3 gesloten was, nu - naar tussen partijen niet in geschil is - een door beide contractspartijen, te weten belanghebbende en de ouders, (uiterlijk) op 31 maart 1995, 18.00 uur ondertekend stuk ontbreekt.

4.5. Nu de ouders aan belanghebbende, op grond van besprekingen die daarover hadden plaatsgevonden, door toezending van de tekst van de akte een schriftelijk aanbod hebben gedaan en belanghebbende, daar hij met de inhoud hiervan accoord ging, een schriftelijke volmacht heeft afgegeven om namens hem de akte met een inhoud gelijk aan de toegezonden tekst, te ondertekenen, welke volmacht, naar tussen partijen vaststaat, vóór het fatale tijdstip bij het notariskantoor is ingekomen, is het Hof van oordeel dat in casu sprake is van een schriftelijk aanbod dat binnen een redelijke termijn, in de vorm van een schriftelijke volmacht, is gevolgd door een schriftelijke aanvaarding door belanghebbende en wel vóór het fatale tijdstip. Daaruit vloeit voort dat tussen belanghebbende en zijn ouders vóór het fatale tijdstip een schriftelijke overeenkomst als bedoeld onder 4.3 is gesloten. Nu de verkrijging het rechtstreekse gevolg is van deze overeenkomst is aangetoond dat de verkrijging door belanghebbende het gevolg is van een tussen de ouders en belanghebbende vóór het fatale tijdstip gesloten schriftelijke overeenkomst in de zin van artikel V, vierde lid van de Wijzigingswet.

4.6. Aan het onder 4.5 overwogene doet niet af dat de zuster van belanghebbende, als onder 2.4 vermeld, de tekst van de akte niet kon accepteren omdat haar meisjesnaam daarin niet voorkwam en dientengevolge haar volmacht eerst na het fatale tijdstip bij het notariskantoor is ingekomen, omdat de inhoud van de akte, voor zover deze op belanghebbende betrekking heeft, niet verschilt van de inhoud van de akte die namens hem is ondertekend en waarmee

hij zich blijkens de terugzending van de door hem ondertekende volmacht akkoord heeft verklaard.

4.7. Het vorenoverwogene brengt met zich dat artikel 2, tweede lid, van de Wet ingevolge artikel V, vierde lid van de Wijzigingswet in casu toepassing mist. Het gelijk is mitsdien aan belanghebbende. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag dienen te worden vernietigd.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep van belanghebbende gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= te vergoeden.

De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard dat hij, indien in de onderhavige procedure de uitkomst hiervan onherroepelijk geheel of gedeeltelijk in de door belanghebbende voorgestane zin komt vast te staan, hij de met de onderhavige zaak samenhangende drie zaken, bij het Hof bekend onder 97/00444 tot en met 97/00446, dienovereenkomstig zal aanpassen. In verband met deze verklaring van de Inspecteur is het Hof van oordeel dat voor de berekening van het bedrag van de proceskosten uitgegaan dient te worden van vier samenhangende zaken.

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 0,5 (gewicht van de zaak) x 1,5 (vier samenhangende zaken) is fl. 1.065,= voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag;

gelast dat de Inspecteur belanghebbende het griffierecht ad fl.75,= vergoedt;

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding tot een bedrag van fl. 1.065,= en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 14 september 2000 door M.E. van Hilten, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 september 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.