Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7487

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/22187
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1560
V-N 2000/48.5.3
V-N 2001/3.2.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/22187

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid douane te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) over het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag heeft als dagtekening

26 mei 1997, als nummer 1 en bedraagt ƒ 18.687,-- aan enkelvoudige belasting; het tegen de aanslag gemaakte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De zaak is uitgeroepen ter zitting van 5 februari 1999

doch aldaar niet behandeld, omdat belanghebbende de Nederlandse taal niet machtig is.

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 12 november 1999 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende T, alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

De Inspecteur heeft met toestemming van het Hof - onder protest van belanghebbende - een controlerapport (“Fyco-formulier-handhaving”, gedagtekend 27 maart 1997) overgelegd;

het Hof heeft de zaak aangehouden ten einde belanghebbende in de gelegenheid te stellen op het rapport te reageren.

Belanghebbende heeft bij brief van 26 november 1999 een reactie op het controlerapport ingezonden. Bij brief van 6 januari 2000 heeft de Inspecteur op laatstgenoemde brief gereageerd; deze brief is ter kennis van belanghebbende gebracht.

1.3. De tweede mondelinge behandeling van de zaak

Heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van

9 juni 2000 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende T, alsmede, de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen

en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur ter zitting nog een brief van 14 januari 2000 met twee bijlagen overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende woont in Nederland; zij is als eigenares van een tehuis werkzaam in Duitsland. Op 19 januari 1996 heeft zij een aanvang gemaakt met het gebruik van de weg in Nederland met een hier te lande niet geregistreerde personenauto van het merk Q met Duits kenteken AAA-AA-111, zonder dat zij beschikte over een vrijstellingsvergunning en zonder dat de verschuldigde bpm vooraf was voldaan; in het sub 1.2 genoemde controlerapport is vermeld dat op 27 maart 1997 wederom is geconstateerd dat zij met deze auto gebruik van de weg in Nederland heeft gemaakt.

2.2. Na de ambtelijke constatering op 19 januari 1996 is aan belanghebbende geen naheffingsaanslag bpm opgelegd; volstaan is met het geven van inlichtingen over de heffing van bpm en het uitreiken van een waarschuwingsformulier.

Na de constatering op 27 maart 1997 is de sub 1.1 genoemde naheffingsaanslag opgelegd.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij - in

afwijking van hetgeen in haar eerdere gedingstukken is vermeld - het geschil wenst te beperken tot het antwoord op de vragen:

1. Heeft de Inspecteur, doordat hij na de constatering van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland met de onderhavige auto geen naheffingsaanslag heeft opgelegd, doch heeft volstaan met de uitreiking van een schriftelijke waarschuwing, zijn bevoegdheid tot naheffing van de verschuldigde bpm verwerkt?

2. - zo het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt -

heeft de Inspecteur bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat ter zake van het op 19 januari 1996 geconstateerde belastbaar feit geen heffing van bpm meer zou plaatsvinden?

De Inspecteur heeft zich bij deze beperking van het geschil aangesloten.

3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Partijen stellen zich terecht op het standpunt dat in een geval als het onderhavige uitsluitend de aanvang van het feitelijk gebruik (het eerste gebruik) door een Nederlandse ingezetene van de Nederlandse weg met een personenauto als belastbaar feit voor de bpm wordt aangemerkt.

De bewoordingen van artikel 1, lid 4, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst tot

1 juli 1997) noch de strekking van die bepaling verzetten zich ertegen, dat de Inspecteur na een ambtelijke constatering van dit belastbaar feit nog geen naheffingsaanslag oplegt, doch uit beleidsoverwegingen volstaat met het geven van een waarschuwing, en dat hij eerst nadat opnieuw een feitelijk gebruik van de weg in Nederland (een tweede gebruik) is geconstateerd, een naheffingsaanslag ter zake van het eerste gebruik oplegt.

Voor de uitoefening van die bevoegdheid geldt geen andere termijn dan die van artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; deze termijn is in casu in acht genomen.

4.2. De stelling dat door het geven van een waarschuwing

de bevoegdheid tot naheffing is verwerkt, vindt geen steun in het recht en faalt derhalve.

4.3. Het ligt op de weg van belanghebbende haar door de Inspecteur betwiste stelling dat de Inspecteur bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat naheffing van bpm niet meer zou plaatsvinden, aannemelijk te maken.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat naheffing aanvankelijk achterwege is gebleven, en dat de Inspecteur haar daarvan door middel van een schriftelijke waarschuwing in kennis heeft gesteld.

Uit de gedingstukken valt op te maken dat het waarschuwingsformulier in elk geval inhoudt dat bij herhaald geconstateerd misbruik zal worden overgegaan tot het opleggen van een naheffingsaanslag, eventueel vermeerderd met een administratieve boete. Deze tekst maakt duidelijk dat van een onvoorwaardelijke, rechtens te honoreren toezegging dat naheffing niet meer zal plaatsvinden, te dezen geen sprake is.

Ook het beroep op door de Inspecteur gewekt vertrouwen dient derhalve te worden verworpen.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de Inspecteur is; de bestreden uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 22 september 2000 door mr A. Bijlsma, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van mr C.A.F.M. Stassen, waarnemend- griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 22 september 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.