Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7368

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01283
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01283

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH.

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK.

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente P (hierna: de ambte-naar) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak astraat 1 te Y(hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

De mondelinge behandeling.

Deze heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2000 te Maastricht. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede, de ambtenaar.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 6 september 2000, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing.

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden.

1. Na gemaakt bezwaar heeft de ambtenaar de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde van de onderhavige onroerende zaak, bestaande uit de eerste verdieping en de zolderverdieping van een woonpand, verminderd tot

fl. 162.000,--. In verband met de omstandigheid dat in Y niet een met de onderhavige onroerende zaak vergelijkbare referentiewoning aanwezig was, heeft de ambtenaar bedoelde waarde vastgesteld door middel van een methode van modelmatige vergelijking (artikel 4, lid 1, aanhef en onder a, van de uitvoeringsregeling instructie waardebepaling wet waardering onroerende zaken).

2. In dat kader heeft de ambtenaar het aantal kubieke meters van de eerste verdieping vastgesteld op 304 en het aantal kubieke meters van de zolderverdieping op 268. Uitgaande van een kubieke meterprijs voor de eerste verdieping van

fl. 300,-- en een kubieke meterprijs voor de zolderverdieping van fl. 175,-- en uitgaande van een - naar het oordeel van het Hof terecht in aanmerking genomen - kavelwaarde van

fl. 24.000,--, heeft de ambtenaar na bezwaar de in 1 bedoelde waarde op de peildatum 1 januari 1995 vastgesteld op [(304 m³ à fl. 300,-- =) fl. 91.200,-- + (268 m³ à fl. 175,-- =) fl. 46.900,-- + fl. 24.000,-- =] fl. 162.100,-- en afgerond op fl. 162.000,--.

3. Belanghebbende heeft daartegenover aangevoerd dat de waarde van de onderhavige onroerende zaak in het kader van een minnelijke taxatie is vastgesteld op fl. 130.000,-- (“vrij opleverbaar”). Die taxatie, in november 1995 uitgevoerd door makelaardij A te Q en het hoofd van de eenheid registratie en successie te Z van de rijkbelstingdienst, diende om “de rechten van de overige kinderen te waarborgen” en “om tot een (ook naar de fiscus) acceptabele economische waarde te komen”, een en ander in het kader van de eigendomsoverdracht door belanghebbendes moeder aan belanghebbende van de onderhavige onroerende zaak. Het taxatierapport en de daarin gebezigde terminologieën “onderhandse verkoopwaarde” en “waarden vrij opleverbaar” geven evenwel geen inzicht in de waarde van de onderhavige onroerende zaak op de peildatum, in de zin van de in 1 vermelde bepaling. Daarbij gaat het om een in het economische verkeer tot stand gekomen waarde. Voor de waardevaststelling in het kader van de Wet WOZ kent het Hof aan dat taxatierapport geen waarde toe.

4. Belanghebbende heeft zich er voorts op beroepen dat “het vinden van een vergelijkbaar object in Y moeilijk zal zijn” maar dat “er voorbeelden in de directe omgeving bijv. B en C te over zijn waarbij geheel zelfstandige appartementen voor aanzienlijk mindere prijzen worden verkocht dan de taxatie van mijn woning aangeeft”. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft hiermee aan te voeren dat de ambtenaar voor het vinden van een met de onderhavige onroerende zaak vergelijkbare referentiewoning naar elders had moeten uitwijken, nu een referentiewoning in Y niet voorhanden was, en dat hij niet zijn toevlucht had moeten nemen tot een waardevaststelling door middel van een methode van modelmatige vergelijking, faalt die grief. Het stond de ambtenaar vrij bij de vaststellen van de WOZ waarde van de onderhavige zaak van die methode gebruik te maken.

5. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat “de WOZ taxateur of een ambtenaar van de gemeente de splitsing verkeerd om hebben uitgewerkt” en dat “een waardevaststelling van

f 120.000,- voor de bovenwoning dan ook in de rede ligt”.

Desgevraagd heeft de ambtenaar hierover ter zitting verklaard dat “de waarde van de benedenwoning misschien te laag is vastgesteld” maar nadrukkelijk betwist “dat een verwisseling heeft plaatsgevonden”. Het Hof heeft geen reden daaraan te twijfelen. Die grief baat belanghebbende niet.

6. Zoals in 4 is vermeld, stond het de ambtenaar vrij bij de vaststelling van de WOZ waarde van de onderhavige onroerende zaak van een methode van modelmatige vergelijking gebruik te maken. De juistheid van de met die methode verkregen uitkomsten als zodanig, leidende tot een WOZ waarde van in totaal fl. 162.000,--, een en ander als in 2 weergegeven, heeft belanghebbende niet bestreden.

7. Gelet op het vorenstaande kan voor de waardebepaling van de onderhavige onroerende zaak per 1 januari 1995 uitgegaan worden van een waarde van fl. 162.000,--. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de ambtenaar. De bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 6 september 2000 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 19 september 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ƒ 150,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.