Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7287

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/01281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/9.2 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/01281

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 30 september 1994, aanslagnummer 1, en het bij het vaststellen van deze aanslag genomen kwijtscheldingsbesluit.

Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 340.406,= aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100%, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag heeft besloten een gedeelte ad 75% van fl. 83.039,= kwijt te schelden. Na tijdig door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur uit overweging dat in het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar zijn vermeld en dat dit verzuim ook niet werd hersteld binnen de nadien gestelde termijn, bij uitspraak van 4 april 1996 belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 24 maart 1998 te Eindhoven. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, en diens gemachtigde alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting met toestemming van de Inspecteur kopieën overgelegd van

- een brief van mr. S (advocaat te Q) aan belanghebbendes gemachtigde van 13 februari 1996

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Inspecteur van 14 maart 1996

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Ontvanger van 14 maart 1996

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Inspecteur van 14 maart 1996

- een brief van de Ontvanger aan belanghebbendes gemachtigde van 22 maart 1996 met twee bijlagen

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Ontvanger van 11 april 1996

- een debiteurenoverzicht d.d. 6 december 1996

- handgeschreven aantekeningen van een bespreking op het ontvangkantoor d.d. 6 december 1996

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Ontvanger van 20 februari 1997

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Belastingkamer van dit Hof van 20 februari 1997

- een brief van de Ontvanger aan belanghebbendes gemachtigde van 7 maart 1997

- een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Ontvanger van 26 maart 1997.

Het Hof rekent alle vorenvermelde stukken tot de stukken van het geding.

Het Hof heeft in deze zaak op 7 april 1998 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 20 april 1998 aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Ter zake van dit verzoek heeft belanghebbende een recht van fl. 150,= voldaan.

Vaststaande feiten

Blijkens de gedingstukken en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 10 juli 1995 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Bij brief van 17 juli 1995 heeft belanghebbende pro forma bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag en tevens de Inspecteur verzocht om een bespreking met betrekking tot die aanslag.

2.2. Als bijlage 4 bij zijn vertoogschrift heeft de Inspecteur een kopie overgelegd van zijn brief aan belanghebbendes toenmalige gemachtigde mr. S van 4 september 1995. De zakelijke inhoud van deze brief luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“Uw bezwaarschrift bevatte geen motivering.

Naar aanleiding van uw bezwaarschrift en uw verzoek om eens van gedachten te wisselen over de inmiddels door de belastingdienst uitgebrachte rapporten inzake de Loonbelasting en Omzetbelasting betreffende uw cliënt werd een bespreking gehouden op woensdag 16 augustus 1995.

(…)

Resultaat van die bespreking was het volgende:

(…)

Een motivering van uw bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag Omzetbelasting zal vooralsnog niet nodig zijn.

(...)

Deze afspraken zijn met name gemaakt vanwege de stand van zaken in de strafrechtelijke procedure. De getuigenverhoren zouden pas begin september afgerond zijn, zodat u dan meer zicht zou hebben op de door u in te nemen standpunten met betrekking tot de fiscale gevolgen.”.

2.3. Als bijlage 5 bij zijn vertoogschrift heeft de Inspecteur een kopie overgelegd van zijn brief aan mr. S van 15 november 1995. De zakelijke inhoud van deze brief luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“(…)

De behandeling van het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting is in augustus 1995 stilgelegd in verband met het feit dat de getuigenverhoren in de strafzaak nog niet afgerond waren.

Naar ik aanneem zal dat inmiddels wel het geval zijn.

Bij deze nodig ik u dan ook uit om binnen zes weken na dagtekening van deze brief beide bezwaarschriften (Hof: belanghebbende had ook pro forma bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag in de loonbelasting) te motiveren.

Ik wijs u er op dat het achterwege laten van een motivering kan leiden tot het niet ontvankelijk verklaren van beide bezwaarschriften.”.

2.4. Als bijlage 6 bij zijn vertoogschrift heeft de Inspecteur een kopie overgelegd van een aan hem gerichte brief van mr. S van 3 januari 1996. De zakelijke inhoud van deze brief luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“(…)

Om mij moverende redenen zie ik mij helaas genoodzaakt mij terug te trekken als gemachtigde van X, wonende te Y aan het adres Astraat 1, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Z.

Nu cliënt zonder gemachtigde is verzoek ik u hem nog enige tijd te gunnen om een nieuwe deskundig gemachtigde te zoeken; inmiddels zijn de getuigenverhoren volledig bekend en kan daaruit een hoeveelheid relevante informatie voor de diverse betwiste aanslagen worden afgeleid.”.

2.5. Naar ter zitting is komen vast te staan heeft de Inspecteur op deze laatste brief nimmer gereageerd, heeft de Inspecteur belanghebbende met name ook nimmer een nieuwe (tweede) termijn gesteld om het bezwaarschrift alsnog te motiveren en heeft de eerstvolgende daad van de Inspecteur jegens belanghebbende bestaan in het bij de bestreden uitspraak van 4 april 1996 niet-ontvankelijk verklaren van belanghebbende in diens bezwaar.

Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar heeft verklaard uit overweging dat hij in zijn bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar heeft vermeld en dat hij dit verzuim ook niet heeft hersteld binnen de nadien door de Inspecteur gestelde termijn.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is daarentegen van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

Voorts is, indien het gelijk met betrekking tot vorenstaande vraag aan de zijde van belanghebbende is, in geschil of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke zij daartoe hebben aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Voor de datum waarop de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, wist hij al dat er een nieuwe gemachtigde was. De Inspecteur had, zeker aan de nieuwe gemachtigde, een nadere termijn moeten geven om het bezwaarschrift alsnog te motiveren. Daar komt nog bij dat de Inspecteur belanghebbende de indruk heeft gegeven dat hij nog inhoudelijk op de zaak zou mogen ingaan.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Inspecteur

Er is een afwachtende houding aangenomen. Niet bekend was wie de nieuwe adviseur van belanghebbende zou worden. Nadat bekend was geworden wie de nieuwe gemachtigde was, is hem niet verzocht om het bezwaarschrift te motiveren. Er is geen tweede verzoek om te motiveren uitgegaan, maar dat mag in dit geval niet zwaar wegen.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak alsmede - naar het Hof begrijpt - van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de Inspecteur op de in 2.4 aangehaalde brief van mr S nimmer heeft gereageerd, dat de Inspecteur belanghebbende met name ook nimmer een nieuwe (tweede) termijn heeft gesteld om het bezwaarschrift alsnog te motiveren en dat de eerstvolgende daad van de Inspecteur jegens belanghebbende heeft bestaan in het bij de bestreden uitspraak van 4 april 1996 niet-ontvankelijk verklaren van belanghebbende in diens bezwaar.

4.2. Gelet op de ernstige gevolgen welke voor een belastingplichtige zijn verbonden aan het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaarschrift, te weten het blokkeren van een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, dient een inspecteur de hem in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gegeven bevoegdheid met behoedzaamheid te hanteren en behoort hij in verband hiermede van deze bevoegdheid slechts gebruik te maken nadat hij de belastingplichtige ruimschoots in de gelegenheid heeft gesteld het desbetreffende verzuim te herstellen.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur belanghebbende onvoldoende gelegenheid geboden het bezwaarschrift alsnog te motiveren; na ontvangst van de vorenvermelde brief van belanghebbendes toenmalige gemachtigde van 3 januari 1996 had de Inspecteur belanghebbende hiertoe in ieder geval nog ten minste eenmaal een nieuwe termijn behoren te geven. Het Hof voelt zich in dit oordeel gesteund door het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juni 1996, nr. 541 DGM/6, waarin de Staatssecretaris de inspecteurs opdraagt om niet eerder tot niet-ontvankelijkverklaring over te gaan dan nadat de belastingplichtige tweemaal een termijn is gesteld om het bezwaarschrift alsnog te motiveren.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, heeft de Inspecteur in casu bij het hanteren van de hem in artikel 6:6 van de Awb verleende bevoegdheid gehandeld in strijd met het van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur deel uitmakende zorgvuldigheidsbeginsel. De bestreden uitspraak dient derhalve te worden vernietigd.

4.4. In de omstandigheid dat belanghebbende door het ten onrechte niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift in wezen is beroofd van de in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bedoelde heroverweging - de enkele, ongemotiveerde, overweging in de uitspraak van de Inspecteur dat er ambtshalve geen redenen zijn de naheffingsaanslag te herzien, weegt hier niet tegen op -, alsmede in de omstandigheid dat het te dezen blijkens het door de Inspecteur overgelegde controlerapport om betrekkelijk ingewikkelde en bewerkelijke kwesties van feitelijke aard gaat, vindt het Hof aanleiding de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur en deze op te dragen een nieuwe uitspraak op het bezwaarschrift te doen. Belanghebbendes motivering de dato 20 maart 1997 van het beroepschrift kan daarbij als (eerste) motivering van het bezwaarschrift in aanmerking worden genomen.

4.5. Gelet op de na het doen van de onderhavige mondelinge uitspraak bekend geworden, onderscheidenlijk gewezen, arresten van de Hoge Raad van 25 maart 1998, BNB 1998/157*, en 16 december 1998, BNB 1999/225*, is de onder 4.4 vermelde beslissing van het Hof om de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur onjuist: het Hof had daartoe ten tijde van het doen van die uitspraak niet de bevoegdheid. In het kader van de vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke is het Hof echter niet tot heroverweging bevoegd, zodat het Hof deze onjuistheid niet bij de onderhavige, schriftelijke uitspraak kan herstellen.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten. Belanghebbende heeft ter zitting uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de hem in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 2.840,=.

5.2. De omstandigheid dat het beroep gegrond is, heeft, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, tot gevolg dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= dient te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

draagt de Inspecteur op een nieuwe uitspraak op belanghebbendes bezwaarschrift te doen;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 2.840,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 75,= wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 14 september 2000 door J.A. Meijer, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 september 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.