Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7134

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/03379
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/22.25 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/03379

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid douane district te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift tegen de hem zonder verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, aanslagnummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

De naheffingsaanslag is opgelegd zonder verhoging tot een bedrag van fl. 18.221,=.

Na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=. De Inspecteur heeft het beroepschrift bij vertoogschrift bestreden.

De zaak is in raadkamer behandeld ter zitting van het Hof van 16 mei 2000. Aldaar zijn

toen verschenen en gehoord belanghebbende, diens gemachtigde en de Inspecteur.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd verklaard ermee accoord te gaan mevrouw S, geboren in oktober 1945, wonende te Q, in België, niet als getuige, zoals aanvankelijk de bedoeling was, maar ter bijstand te horen.

Voor de ter zitting aan mevrouw S voornoemd gestelde vragen en de door haar hierop gegeven antwoorden wordt verwezen naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

Zonder bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur een stuk overgelegd inhoudende de berekening van het bedrag van de onderhavige aanslag. Het Hof heeft met instemming van partijen, opdat partijen en het Hof over dezelfde inhoud van de stukken kunnen beschikken, toegezegd hiervan een kopie voor het dossier en voor belanghebbende te maken en om vervolgens de Inspecteur het origineel en belanghebbende de kopie hiervan toe te zenden.

De inhoud van genoemde stukken wordt geacht hier te zijn ingevoegd.

2. De feiten

2.1. Op 17 maart 1998 is door ambtenaren van de Belastingdienst/Douane District P geconstateerd dat belanghebbende, die hier te lande woonachtig is, met een hier te lande niet-geregistreerde, van het Belgisch kenteken xx voorziene, personenauto (hierna: de auto) in de gemeente Maastricht van de weg gebruik maakte.

2.2. De auto staat in België geregistreerd en is verzekerd op naam van een bekende van belanghebbende, mevrouw S, wonende te Q in België (hierna: mevrouw S).

2.3. Een klein jaar eerder dan 17 maart 1998 op 24 april 1997 hebben ambtenaren van genoemd douanedistrict geconstateerd dat belanghebbende met de auto in de gemeente Maastricht van de weg gebruik maakte. Belanghebbende werd toen gewaarschuwd en medegedeeld dat het door hem met de auto gebruik maken van de weg in Nederland ingevolge de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen als een belastbaar feit wordt aangemerkt.

2.4. Naar aanleiding van de tweede controle van 17 maart 1998 is belanghebbende op grond van de constatering bij de eerste controle op 24 april 1997 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en is die aanslag mitsdien naar die datum berekend.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of de auto belanghebbende feitelijk ter beschikking stond als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Wet op de belastingen van personen-auto’s en motorrijwielen.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur daarentegen bevestigend.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder genoemde voorgedragen en overgelegde pleitnota’s en de aan deze uitspraak gehechte bijlage. Van al deze stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden aangemerkt. Partijen hebben hieraan ter zitting, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

Belanghebbende trekt zijn grieven, dat de belastingdienst de naheffingsaanslag niet voldoende heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd, in.

Belanghebbende ontkent dat hij op 7 maart 1997 van de belastingdienst bescheiden heeft ontvangen. Het ging toen om een Luxemburgse auto waarmee hij niets van doen had.

Door de datum van de eerste controle als datum van het belastbare feit te nemen, handelt de Inspecteur in strijd met het door hem bij belanghebbende opgewekte in rechte te beschermen vertrouwen.

Voor wat betreft de tweede controle verwijst belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, nr. 32 627, BNB 1998/134.

Belanghebbende verzoekt de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten fiscale procedures voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.2.2. De Inspecteur

Het informatie- en waarschuwingsbeleid houdt in dat niet meteen een naheffingsaanslag wordt opgelegd doch dat bij een volgende keer dat met een niet-geregistreerde auto van de weg in Nederland gebruik wordt gemaakt direct wordt nageheven en wel naar het belastbare feit bij de eerste controle.

Dat mevrouw S voorop is gegaan en dat zij door haar achteruitkijkspiegel niet heeft gezien dat belanghebbende werd aangehouden acht de Inspecteur niet aannemelijk.

De relatie tussen mevrouw S en belanghebbende is een andere dan die tussen de handelende personen in genoemd arrest. Mevrouw S geeft belanghebbende geen aanwijzingen.

Van in rechte te beschermen vertrouwen kan geen sprake zijn nu bij de eerste controle duidelijk is vermeld wat de gevolgen zouden zijn wanneer een volgende keer geconstateerd zou worden dat belanghebbende wederom met een niet-geregistreerde auto van de weg in Nederland gebruik zou maken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof gaat ervan uit dat de in geschil zijnde vraag slechts het feitelijk ter beschikking staan op 17 maart 1998 kan betreffen, omdat, indien veronderstellenderwijs de auto op die datum belanghebbende niet ter beschikking stond, er zich op die datum en op geen enkele andere datum een feit zich heeft voorgedaan op grond waarvan de waarschuwing van

24 april 1997 van kracht werd en een naheffingsaanslag naar laatstgenoemde datum diende

te worden opgelegd.

4.2. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van mevrouw S ter zitting als vermeld in de aan deze uitspraak gehechte bijlage. De door de Inspecteur gemaakte tegenwerping dat hij niet aannemelijk acht dat mevrouw S door de achteruitkijkspiegel niet heeft gezien dat belanghebbende aangehouden werd, acht het Hof onvoldoende om aan die verklaring geen dan wel onvoldoende geloof te hechten dat de feitelijke gang van zaken niet is geweest als in die verklaring vermeld.

De plaats van de aanhouding alsmede het feit dat, zoals in de pleitnota van de Inspecteur wordt vermeld, de auto een half uur voordat belanghebbende werd aangehouden bij zijn privé-adres is gesignaleerd, worden verklaard door hetgeen mevrouw S over de gang van zaken op 24 april 1998 en op de dag daarvóór naar voren heeft gebracht.

4.3. Op grond van de vorige overweging staat vast dat de auto voor een onderhoudsbeurt naar de garage te R moest en dat om voor het vervoer per auto van mevrouw S vanaf de garage zorg te dragen, gekozen is voor de oplossing als vermeld in haar verklaring .

4.4. Op grond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat belanghebbende uitsluitend ten behoeve van mevrouw S de auto bestuurde opdat zij vanaf de garage over een auto kon beschikken om vandaar naar huis te rijden en dat op grond hiervan niet gezegd kan worden dat de auto op 24 april 1998 (mede) aan belanghebbende ter beschikking stond.

Hieraan doet niet af dat belanghebbende met de auto en mevrouw S met de oude auto van haar zoon naar de garage reed. Beide auto’s hebben immers een Belgisch kenteken.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belanghebbende het door hem gestorte griffierecht ad fl. 80,= te vergoeden.

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is fl. 2.130,=.

6. De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag;

gelast dat de Inspecteur belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= vergoedt; en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding tot een bedrag van fl. 2.130,=

en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 24 augustus 2000 door M.E. van Hilten, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 24 augustus 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Bijlage behorende bij de schriftelijke uitspraak in de zaak bij het Hof bekend onder kenmerknummer 98/03379, inhoudende de vragen gesteld ter zitting van 16 mei 2000 aan S, geboren in 1945, wonende te Q in België (hierna: mevrouw S) en haar antwoorden hierop.

A. Vragen van het Hof.

1. Vraag : Bent U eigenaresse van de auto?

Antwoord: Ja.

2. Vraag: Is de auto op Uw naam verzekerd?

Antwoord: Ja.

3. Vraag: Hoelang had U de auto op 24 april 1997?

Antwoord: Ik had hem nog maar pas.

4. Vraag: Waarom reed U niet zelf naar de garage op de dag dat de X op 17 maart 1998 werd aangehouden?

Antwoord: De auto moest voor een onderhoudsbeurt naar de garage in R in België. Omdat de auto in de garage achter moest blijven, zou ik vanaf de garage geen vervoer meer hebben wanneer ik De auto zelf zou rijden. Daarom reed ik in de oude zwarte auto van mijn zoon met een Belgisch kenteken voorop naar de garage en X in de auto achter mij aan. Tijdens de rit naar de garage heb ik niet gezien dat X werd aangehouden.

De avond vóór 17 maart 1998 is mijn zoon in genoemde oude zwarte auto en ben ik in de auto naar X gereden. De oude zwarte auto hebben we daar laten staan en mijn zoon en ik zijn in de auto teruggereden. De volgende dag ben ik met de auto naar X gereden en vandaar zijn we vervolgens, ik in de oude zwarte auto en hij in de auto, naar de garage gereden.

5. Vraag: Hoe lang is het rijden van het adres van X naar de garage?

Antwoord: 10 minuten à een kwartier.

6. Vraag: Hoe lang is het rijden van het adres van mevrouw S in Q naar het adres van X in Y?

Antwoord: Ongeveer een kwartier.

B. Vraag van de Inspecteur: Is een situatie zoals door U zojuist beschreven wel eens vaker voorgekomen?

Antwoord: Nee, dit was de eerste en de laatste keer dat dit gebeurd is.