Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7133

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/03320
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/53.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/03320

HET GERECHTSHOF TE ‘s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid douane P van de rijksbelastingdienst ( hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift tegen de beschikking van de Inspecteur van januari 1998, kenmerk 1 betreffende de vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende heeft bij een door hem in september 1997 ondertekend, in oktober 1997 op genoemde eenheid van de belastingdienst ingekomen, aanvraagformulier vrijstelling verhuisgoederen de Inspecteur verzocht om vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen voor de personenauto met Duitse kenteken (hierna: de personenauto). De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 13 januari 1998, kenmerk 1, afgewezen. Na tijdig door belanghebbende hiertegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak het bezwaar afgewezen. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. fl. 80,=. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van 16 mei 2000 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de Inspecteur heeft belanghebbende bij zijn pleitnota drie bijlagen overgelegd alsmede in kopie het afschrift van de hem verleende vergunning vrijstelling BPM van november 1993.

Het Hof rekent de pleitnota’s, alsmede de door belanghebbende daarbij overgelegde bijlagen tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in februari 1936 heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd. Vanaf april 1981 tot en met juni 1996 is belanghebbende in loondienst werkzaam geweest voor de firma U GmbH te Q, Duitsland.

2.2. Gedurende de periode dat hij in Q werkzaam was, heeft belanghebbende aldaar woonruimte gehuurd op het adres Astrase 1. Het gaat daarbij om een appartement ter grootte van ongeveer 35 m². Tot de gedingstukken behoort in kopie een “Meldebescheinigung” van de gemeente Q van februari 1985 waarin, voor zover te dezen van belang, het volgende is vermeld:

“Solange Herr X in Q seinen Hauptwohnsitz unterhält, ist er (…) verpflichtet, für seine Fahrzeuge mit regelmässigem Standort ebenfalls in Q die Zuteilung eines Kennzeichens beim Strassenverkehrsamt des R Kreises zu beantragen”.

2.3. Vanaf augustus 1983 is belanghebbende ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Y, op het adres Bstraat 1. Op dit adres bevindt zich het huis van zijn echtgenote, dat haar tot hoofdverblijfplaats dient.

2.4. In verband met zijn werk in Q verbleef belanghebbende meestal door de week op genoemd adres aldaar, terwijl hij de weekenden doorgaans doorbracht bij zijn gezin op genoemd adres te Y. In Y was belanghebbende lid van de plaatselijke hockeyclub; in Q was hij lid van een plaatselijke turnvereniging alsmede van de stadsbibliotheek.

2.5. Belanghebbende heeft de onder 1 genoemde personenauto sedert 1992 privé in eigendom. In september 1992 heeft hij de Inspecteur vergunning verzocht om met met vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) in Nederland gebruik te mogen maken van de weg. Bij beschikking van februari 1993 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft de Inspecteur onder meer overwogen dat aan verzoeker in mei 1992 onder nummer 2 een vrijstellingsvergunning werd verleend, voor het overbruggen van de afstand woon-werk alsmede privé gebruik hier te lande, dat deze vergunning ten onrechte werd verleend, aangezien deze auto privé bezit is en niet door de werkgever ter beschikking werd gesteld en dat de woning cq verblijfplaats van verzoeker is vastgesteld op Bstraat 2, Y.

2.6. Bij bezwaarschrift van februari 1993 heeft belanghebbende het onder 2.5 genoemde besluit bestreden met, zakelijk weergegeven en voor zover te dezen van belang, een beroep op het bij hem gewekte in rechte te beschermen vertrouwen, ontleend aan de aan de hem eerder verleende vrijstellingsvergunningen, van mei 1992, nummer 2, en van februari 1985, nummer 3. Daarnaast betoogde belanghebbende dat hij met de toen overgelegde gegevens voldoende aangetoond had dat zijn normale verblijfplaats Q was. Nadat de Inspecteur dit bezwaar had afgewezen, is belanghebbende bij brief van augustus 1993 in beroep gekomen bij het Hof.

2.7. In de in kopie als bijlage 7 bij het beroepschrift tot de stukken behorende brief van de Inspecteur van oktober 1993 aan belanghebbende schrijft de Inspecteur het volgende:

“Van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heb ik ter behandeling een door u ingediend beroepschrift ontvangen dat is gedateerd zz augustus 1993. Nadere bestudering van deze zaak vormt voor mij aanleiding om u alsnog in uw bezwaar tegemoet te komen.

In verband hiermee verzoek ik u de bijgevoegde verklaring, waarin u het beroepschrift intrekt te ondertekenen en deze zo spoedig mogelijk in bijgaande portvrije envelop terug te zenden. Ik zal dan voor doorzending aan de rechtelijke macht zorgdragen.

Na ontvangst van de brief zal alsnog vergunning worden verleend dat de personenauto merk T, kenteken Z1 hier te lande wordt gebezigd zonder dat betaling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen plaatsvindt. Ingeval dat mogelijk is, zal tevens tot teruggaaf van het door U aan het Gerechtshof betaalde griffierecht worden overgegaan.”.

2.8. In november 1993 ondertekent belanghebbende de verklaring waarbij hij zijn beroepschrift van zz augustus 1993, kenmerknummer Hof 2644/94B, intrekt.

2.9. In de in kopie als bijlage 9 bij het beroepschrift tot de stukken behorende brief van de Inspecteur van november 1993 deelt de Inspecteur belanghebbende nog het volgende mee.

“In aansluiting op mijn brief van oktober 1993 deel ik u nog het volgende mede.

De desbetreffende douane-ambtenaren op de douanepost S heb ik van mijn in die brief opgenomen standpunt op de hoogte gesteld.

Ook heb ik hen verzocht om u alsnog voor de in het geding zijnde auto vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) te verlenen.

Voor de goede orde breng ik nog het volgende onder uw aandacht.

De omstandigheid dat ik u alsnog in uw bezwaar ben tegemoet gekomen betekent niet dat u bij het in gebruik nemen van een andere auto aanspraak op een door u geclaimde vrijstelling voor de BPM kunt maken.

Omdat ik het standpunt van de douane deel dat uw woonplaats in de zin van de BPM zich in Nederland bevindt, zal voor een andere auto een eventueel ingediend verzoek om vrijstelling van de BPM bij ongewijzigde omstandigheden moeten worden afgewezen.”.

In november 1993 is vervolgens de onder 1 reeds genoemde vrijstellingsvergunning verleend op de voet van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het uitvoeringsbesluit BPM. De in deze bepalingen bedoelde vergunning is er één, die kan worden verleend aan in Nederland woonachtige werknemers van een buitenlandse werkgever.

2.10 Naar aanleiding van de brief van belanghebbende van februari 1994 waarin deze onder meer zijn verbazing uitsprak over de nadere aanvulling door de Inspecteur van zijn brief van oktober 1993, berichtte de Inspecteur belanghebbende bij brief van mei 1994:

“2. Het kwam mij uit het oogpunt van behoorlijk bestuur juist voor om u reeds in dit stadium er van op de hoogte te stellen dat u naar mijn mening in feite geen aanspraak op de desbetreffende vrijstelling kunt maken, en dat in de toekomst t.a.v. een andere auto met een afwijzende beschikking rekening moet worden gehouden. In hoeverre de rechter hierin zal moeten oordelen, hangt van uw opstelling af in die zaak”.

2.11. Per juli 1996 is belanghebbendes dienstbetrekking bij eerdergenoemde firma U GmbH beëindigd. Belanghebbende is er niet in geslaagd vervolgens weer werk in Duitsland te vinden. Hij heeft daarop zijn verblijfplaats in Q opgegeven.

2.12. Bij een in september 1997 door hem ondertekend aanvraagformulier “vrijstelling verhuisgoederen” heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen voor de personenauto. De Inspecteur heeft dit verzoek bij de bestreden beschikking van januari 1998 afgewezen met de motivering dat belanghebbende niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat zijn verblijfplaats wordt overgebracht van Duitsland naar Nederland onder toevoeging dat van de zijde van de belastingdienst al sinds jaren belanghebbendes verblijfplaats wordt vastgesteld op Nederland.

3. Het geschil, alsmede de standpunten en de conclusies van partijen

3.1.In geschil is het antwoord op de volgende twee vragen:

I. Is ter zake van de overbrenging van de personenauto naar Nederland op de voet van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit BPM de zogeheten verhuisboedelvrijstelling van toepassing? Dit geschilpunt is terug te voeren tot het antwoord op de vraag of belanghebbende voordat hij zijn verblijfplaats aan het adres Astrase 1 te Q opgaf, in Duitsland aldaar zijn normale verblijfplaats had.

II. Heeft belanghebbende aan de gang van zaken, zoals hierboven onder 2.5 tot en met 2.7

beschreven, het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen dat zijn normale verblijfplaats was gelegen in Duitsland en dat mitsdien de hiervoor bedoelde verhuisboedelvrijstelling van toepassing zou zijn ter zake van de overbrenging van de personenauto naar Nederland, bij het opgeven van zijn verblijfplaats in Duitsland.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend. De Inspecteur is daarentegen van mening dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door hen ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota’s, alsmede voor wat betreft belanghebbende, de daarbij overgelegde bijlagen, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

De rechtsgeldigheid van de regelgeving op het gebied van de BPM wordt niet meer bestreden. Het beroep op het Securitel-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1996, nr. C-194/94, NJ 1997/214, wordt ingetrokken.

Per juli 1996 ben ik ontslagen. Vervolgens is getracht in Duitsland weer werk te krijgen. Toen dat niet lukte heeft de verhuizing naar Nederland plaatsgevonden.

Ook tegen de vrijstellingsvergunning van februari 1985 is geprotesteerd, omdat belanghebbende van oordeel was dat, anders dan in de vergunning werd aangenomen, zijn normale verblijfplaats in Duitsland was gelegen.

De vrijstelling is niet gevraagd vanwege het feit dat belanghebbende werknemer was van een Duits bedrijf, maar omdat hij daar zijn normale verblijfplaats had.

Anders dan de Inspecteur suggereert is het al dan niet verzekerd zijn voor de sociale verzekeringen in Nederland nooit een punt geweest.

3.2.2. De Inspecteur

Mogelijk heeft belanghebbende vanwege het verzekerd zijn voor de sociale verzekeringen op de vraag in zijn aangifte inkomstenbelasting premieheffing volksverzekering over zijn woonplaats, geantwoord dat dit in Nederland lag.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de beschikking alsmede tot het hem verlenen van vergunning om de personenauto met vrijstelling van BPM te registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van vraag I: belanghebbendes normale verblijfplaats

4.1. Op de voet van artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit BPM wordt vrijstelling van belasting verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s indien terzake van het in het vrije verkeer brengen daarvan aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer bestaat of zou bestaan indien de vervoermiddelen uit een ander land dan een lidstaat van de Europese Unie in het vrije verkeer zouden zijn gebracht, onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.

Op grond van artikel 2 van de Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 zijn van rechten bij invoer vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het Douanegebied van de Gemeenschap overbrengen. Mutatis mutandum en gelet op het bepaalde in voornoemd artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit BPM, brengt deze bepaling met zich dat vrijstelling van BPM wordt verleend indien een natuurlijk persoon zijn normale verblijfplaats van buiten Nederland naar Nederland overbrengt.

4.2. In de communautaire regelgeving is het begrip “normale verblijfplaats” niet nader omschreven. Gelet op onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 1 februari 1977, zaak 61/76 (BNB 1978/18) moet het er voor gehouden worden dat de lidstaten derhalve een zekere beoordelingsmarge hebben bij de invulling van dit begrip. Ingevolge artikel 75, tweede lid, tweede volzin, van het Besluit van 10 mei 1996, nr. WD96/402 (hierna: Douaneregeling) wordt een belanghebbende die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft in verschillende landen geacht zijn normale verblijfplaats te hebben in het land van zijn persoonlijke bindingen, mits hij daar op geregelde tijden terugkeert.

4.3 . Op grond van de feiten vermeld onder 2.1 tot en met 2.4, tezamen in onderling verband beschouwd is het Hof van oordeel dat belanghebbendes normale verblijfplaats in bovenbedoelde zin in Nederland was, ook in de periode gedurende hij als werknemer van U GmbH te Q beschikte over woonruimte aldaar. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat de gemeente Q blijkens de onder 2.2 vermelde “Meldebescheinigung” verplicht was de “Zuteilung eines Kennzeichens beim Strassenverkehrsamt des R Kreises zu beantragen”.

4.4. Op grond van het hiervóór onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene dient vraag I onder 3.1 in de door de Inspecteur voorgestane zin te worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag II: opgewekt vertrouwen

4.5. De Inspecteur heeft als argumenten voor zijn onder 2.5 vermelde afwijzende beschikking aangevoerd dat de personenauto tot belanghebbendes privé bezit behoorde en derhalve niet een auto was die diens werkgever aan belanghebbende ter beschikking had gesteld alsmede dat uit de door hem genoemde feiten volgt dat belanghebbendes normale verblijfplaats in Nederland te Y was gelegen. In zijn uitspraak op het door belanghebbende tegen deze beschikking ingediende bezwaar heeft de Inspecteur zijn hier vermelde standpunten niet gewijzigd.

4.6. Nu de Inspecteur in zijn onder 2.7 vermelde brief van oktober 1993 ook maar enig argument noemt op grond waarvan hij zich alsnog met het standpunt van belanghebbende kan verenigen en de overeenkomst tussen de vrijstelling van februari 1985, nummer 3, en de vrijstelling van mei 1992, nummer 2, daarin bestaat dat bij beide vrijstellingen over het hoofd is gezien dat niet was voldaan aan het vereiste voor het toepassen van die vrijstellingen, dat geen sprake is van een privé auto maar van een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gestelde auto, alsmede in aanmerking nemende het feit dat genoemde vrijstellingen zijn verleend met als uitgangspunt dat de normale verblijfplaats van belanghebbende in Nederland en juist niet in Duitsland was gelegen, tezamen in onderling verband beschouwd, en gelet op het onder 4.5 overwogene, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur geen in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt ten aanzien van de normale verblijfplaats van belanghebbende.

4.7. Op grond van het hiervóór onder 4.5 en 4.6 overwogene dient ook vraag II onder 3.1 ontkennend te worden beantwoord.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 24 augustus 2000 door M.E. van Hilten, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 24 augustus 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.