Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7002

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
20.000774.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.000774.00

uitspraakdatum : 1 september 2000

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

B E S L I S S I N G

gegeven op het ter terechtzitting van 25 augustus 2000 mondeling gedane verzoek namens:

[X],

geboren te [Y], [in] 1937,

thans preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting "[Z]" te [Q],

strekkende tot wraking van de voorzitter van de strafkamer Mr. Boerwinkel, alsmede van de jongste raadsheer, Mr. Buyne.

De feiten

De raadsman van verzoeker, Mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft verzocht het verzoek tot wraking van de voorzitter en de jongste raadsheer in de op 25 augustus 2000 dienende strafzaak contra verzoeker voornoemd, te weten Mr. Boerwinkel en Mr. Buyne, toe te wijzen.

Als feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid van Mr. Boerwinkel en Mr. Buyne schade zou kunnen lijden, heeft Mr. Van Dijk het navolgende aangevoerd.

In raadkamer van dit hof van 19 augustus 1999 in het kader van de behandeling van het hoger beroep, ingesteld tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 1 juli 1999 - bij welke beschikking de verlenging van de gevangenhouding werd bevolen van verzoeker voornoemd- heeft de raadsman van verzoeker een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging op grond van de omstandigheden -kort samengevat- :

1. dat verzoeker niet is uitgeleverd voor de strafbare feiten waarvoor hij thans in hoger beroep moet terecht staan, te weten, primair, poging tot uitlokking van moord en, subsidiair, voorbereidingshandelingen van een misdrijf tegen het leven gericht;

2. dat de strafbare feiten waarvoor verzoeker terecht moet staan, in Spanje niet strafbaar zijn.

Zowel Mr. Boerwinkel als Mr. Buyne hebben in het kader van die behandeling in de hoedanigheid van voorzitter respectievelijk jongste raadsheer van de meervoudige raadkamer deelgenomen aan de beslissing van die raadkamer tot verwerping van die zijdens de verdediging gevoerde verweren tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

In de visie van verzoeker hebben Mr. Boerwinkel en Mr. Buyne in de sfeer van de voorlopige hechtenis met betrekking tot het eerste verweer -anders dan een marginale toetsing- een volstrekt onvoorwaardelijk en met betrekking tot het tweede verweer, ondanks het gebruik van het woordje "voorshands", een kennelijk definitief standpunt ingenomen in de zaak van verzoeker zelf waarop zij thans niet meer zullen (kunnen) terugkomen, waardoor verzoeker redelijkerwijs de vrees mag koesteren dat deze rechters niet meer onbevooroordeeld zijn, althans ten aanzien van wie verzoeker redelijkerwijs mag twijfelen of zij onpartijdig zijn. Immers, namens verzoeker zal bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep hetzelfde verweer worden gevoerd.

Mr. Boerwinkel en Mr. Buyne hebben te kennen gegeven dat zij in het kader van het wrakingsverzoek niet wensen te worden gehoord.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking.

De beoordeling van het verzoek

Bij de beoordeling van het verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie door de raadkamer van het hof, waarvan Mr. Boerwinkel en Mr. Buyne deel uitmaakten, bij gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep tegen de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte met zich brengt dat deze rechters niet meer geheel vrijstaan ten aanzien van de beoordeling van hetzelfde verweer bij gelegenheid van de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting in hoger beroep.

De vraag die thans voorligt is of dit een zodanige omstandigheid is die zwaarwegende aanwijzingen oplevert voor het oordeel dat genoemde rechters jegens de verdachte een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Voorop gesteld dient te worden dat het bij de berechting in hoger beroep te herhalen beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen weging of waardering van feiten of omstandigheden met zich brengt en mitsdien geen feitelijk oordeel vraagt, doch een rechtsvraag aan de orde stelt, en wel een rechtsvraag die in redelijkheid slechts op één manier kan worden beantwoord, namelijk zoals de raadkamer van het hof bij beschikking van 19 augustus 1999 heeft gedaan.

Hiertoe overweegt het hof als volgt.

De omschrijving van de feiten in het door de Nederlandse autoriteiten aan de Spaanse autoriteiten gedane uitleveringsverzoek komt overeen met de feiten zoals die in de strafzaak zowel primair (naar Nederlands recht te kwalificeren als -kort gezegd- poging tot uitlokking van moord, althans doodslag) als subsidiair (naar Nederlands recht te kwalificeren als -kort gezegd- voorbereidingshandelingen tot het plegen van moord, althans doodslag) zijn ten laste gelegd. Ten aanzien van de omschrijving van de feiten in het uitleveringsverzoek heeft de Spaanse uitleveringsrechter geoordeeld dat deze in Spanje eveneens strafbaar zijn, en wel als "uitlokking tot moord". Daarop is de verdachte uitgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten. Of de Spaanse uitleveringsrechter terecht tot zijn oordeel is gekomen, staat niet ter beoordeling van de Nederlandse rechter. Dat de Spaanse rechter een andere dan de Nederlandse kwalificatie aan de omschrijving van de feiten toekent, maakt daarbij geen enkel verschil. Uitlevering geschiedt immers niet op grond van gelijkheid van kwalificaties in de verzoekende en de aangezochte staat, maar op grond van de strafbaarheid van de omschreven feiten in zowel de verzoekende als de aangezochte staat.

Door de verdachte te vervolgen ter zake van de feiten, zoals deze ten laste zijn gelegd, handelt het openbaar ministerie dan ook niet in strijd met het specialiteitsbeginsel.

Op grond van het evenoverwogene is het hof van oordeel dat de eerder opgeworpen en nogmaals op te werpen rechtsvraag in redelijkheid slechts in evenbedoelde zin kan worden beantwoord. Nu de rechtsvraag in redelijkheid slechts op één manier kan worden beantwoord, is het hof van oordeel dat de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie door de raadkamer van het hof bij beschikking van 19 augustus 1999 niet een zodanige omstandigheid is die zwaarwegende aanwijzingen oplevert voor het oordeel dat meergenoemde rechters jegens de verdachte een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Tot slot overweegt het hof nog, dat een andersluidend oordeel tot gevolg zou hebben, dat alleen al het voeren van een "kansloos" verweer in de fase van de voorlopige hechtenis en het herhalen van datzelfde verweer ter gelegenheid van de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting reeds tot verschoning of wraking zou moeten leiden van de zittingsrechter die een dergelijk verweer bij gelegenheid van de beoordeling van de voorlopige hechtenis heeft verworpen. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest bij de totstandkoming van de regeling omtrent verschoning en wraking.

B E S L I S S I N G

Wijst af het verzoek tot wraking van Mr. Boerwinkel en Mr. Buyne.

Aldus gegeven door Mr. Abbink, als voorzitter,

Mr. Van Kuijck en Mr. Zwerwer, als raadsheren,

in tegenwoordigheid van mevrouw Pulskens, als griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 september 2000.