Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6860

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20903
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2001, 21279
V-N 2001/3.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/20903

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X en X-Y te P tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid registratie en successie te Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hen opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting, aanslagnummer 1, en tegen het bij het vaststellen van de aanslag genomen kwijtscheldingsbesluit betreffende de in die aanslag begrepen verhoging.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde naheffingsaanslag is berekend naar een verkrijging van ƒ 125.000,= en is opgelegd met een verhoging van per saldo 25%.

Na tijdig daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbenden zijn tegen deze uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbenden een recht geheven van ƒ 80,=. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

Belanghebbenden hebben met toestemming van de Voorzitter een conclusie van repliek ingediend; de Inspecteur heeft daarop gereageerd bij conclusie van dupliek.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 maart 2000 te 's-Hertogenbosch voor wat betreft de enkelvoudige belasting in raadkamer en voor wat betreft de verhoging in het openbaar. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbenden, alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbenden hebben vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof, welke pleitnota met instemming van de wederpartij wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen en waarvan een exemplaar is overgelegd aan de wederpartij.

Zonder bezwaar van de wederpartij hebben belanghebbenden de originele foto's, welke in kopie aan de pleitnota zijn gehecht, overgelegd.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur ter zitting een afschrift van de aankondiging van de naheffingsaanslag met bijlage overgelegd aan het Hof.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbenden, gehuwd in gemeenschap van goederen, hebben in augustus 1994, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verkregen van de woning met ondergrond en aanhorigheden gelegen aan de Astraat 1 te P (hierna: de woning). Voor de koopprijs van ƒ 165.000,-- is overdrachtsbelasting aangegeven en afgedragen. De woning is na de aanschaf door belanghebbenden ingrijpend verbouwd.

2.2. Op het erf is achter de vrijstaande woning een loods aanwezig van waaruit een bedrijf wordt uitgeoefend. De vrachtwagens maken gebruik van een oprit die naast de woning is gelegen.

2.3. De ambtelijk deskundige heeft aan de woning een waarde vrij per transportdatum toegekend van ƒ 250.000,=. Het taxatierapport van 16 februari 1998 is opgemaakt nadat het beroepschrift is ingediend. Bij die taxatie is aan de hand van bouwtekeningen uitgegaan van de toestand vóór de verbouwing. Bij de taxatie is uitgegaan van schone grond.

2.4. Belanghebbenden hebben een taxatierapport van 7 mei 1997 van makelaars onroerend goed te Q overgelegd waarbij aan de woning per transportdatum een waarde vrij wordt toegekend van ƒ 200.000,=. Bij die taxatie is eveneens uitgegaan van schone grond.

2.5. Op grond van de taxatie van de ambtelijk deskundige heeft de Inspecteur de zijns inziens te weinig geheven belasting van belanghebbenden nageheven middels twee naheffingsaanslagen, nummers 1 en 2, ieder voor de helft van het totale bedrag. Beide aanslagen vermelden als tenaamstelling "X en X-Y". De hier bestreden uitspraak op bezwaar vermeldt als naam en adres belanghebbende: "X".

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat betreft belanghebbenden de toegezonden en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Belanghebbenden hebben ter zitting verklaard dat het Hof ervan uit mag gaan dat de taxatie van de Inspecteur uit gaat van de oude situatie. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de verhoging moet vervallen. Partijen hebben daaraan verder ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot nihil en subsidiair tot vermindering van de aanslag met het bedrag van de verhoging.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag met het bedrag van de verhoging.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De tenaamstelling van een aanslag is een zo essentieel onderdeel van die aanslag dat een onjuiste tenaamstelling in het algemeen niet kan leiden tot een belastingverplichting. Nu de overdrachtsbelasting een belasting is die per verkrijging van de verkrijger wordt geheven, dient de tenaamstelling van de aanslag zodanig te zijn dat de verkrijger wordt aangeslagen voor het door hem verkregene. Zoals onder 2.5 hiervóór is weergegeven, heeft de Inspecteur in casu echter ter zake van de verkrijging van (kennelijk) de onverdeelde helft van de woning mede een ander dan de verkrijger daarvan aangeslagen. Naar het oordeel van het Hof is een dergelijke tenaamstelling van een aanslag op meerdere verkrijgers een zodanige onvolkomenheid dat die aanslag niet kan leiden tot een belastingverplichting.

De stelling van de Inspecteur dat voor belanghebbende (welke?) duidelijk en kenbaar was aan wie de aanslag is opgelegd en dat de uitspraak op bezwaar enkel één van de belanghebbenden als belanghebbende aanwijst, doet hier niet aan af nu daarmee niet bij het opleggen van de aanslag ondubbelzinnig duidelijk is op wie de belastingverplichting rust. Op grond van het vorenstaande moet de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag worden vernietigd.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van hun beroep bij het Hof redelijkerwijs hebben moeten maken. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op 2,5 (punten) maal ƒ 710,= maal (wegingsfactor) 1 ofwel ƒ 1.775,=. Nu dit beroep samenhing in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten fiscale procedures met de bij het Hof onder de nummer 97/20904 geregistreerde beroep zal het Hof in ieder van de twee beroepen een proceskostenvergoeding toekennen van ƒ 887,50.

5.2. Nu het beroep van belanghebbenden gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbenden het door hen voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= te vergoeden.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaan-

slag;

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbenden het

door dezen voor deze zaak gestorte griffierecht ten bedrage

van ƒ 80,= vergoedt;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belangheb-

benden tot een bedrag van ƒ 887,50 en wijst de Staat der

Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet ver-

goeden.

Aldus vastgesteld op 14 augustus 2000 door M.E. van Hilten, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 augustus 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.