Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6806

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00105
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/50.3.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/00105

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan hem afgegeven voor bezwaar vatbare beschikking voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, inzake de verrekening van verlies over het jaar 1994 met voorafgaande jaren.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag opgelegd van nihil. Bij deze aanslag heeft de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking geweigerd verliesverrekening met voorafgaande jaren toe te passen aangezien er naar zijn mening geen verlies is geleden in 1994.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de voor bezwaar vatbare beschikking bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 12 juli 2000 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende ter zitting een brief van 2 oktober 1995 van mr Q van V B.V. aan belanghebbende overgelegd aan het Hof en de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, was vanaf 1991 tot en met 15 januari 1994 in dienstbetrekking bij VB.V. (verder: VBV), als bedrijfsleider van een supermarkt. Zijn belastbare inkomens over de jaren 1991 tot en met 1993 bedroegen, bij elkaar opgeteld, ƒ 133.355,--.

2.2. Vanaf 15 januari 1994 is belanghebbende voor eigen rekening en risico een supermarkt gaan exploiteren. In dat verband heeft hij een franchise-contract gesloten met VBV.

2.3. Op 20 oktober 1994 heeft belanghebbende zijn onderneming gestaakt door verkoop van de supermarkt. Op 22 oktober 1994 is ook het franchisecontract beëindigd.

2.4. Bij beëindiging van het franchisecontract resteerde een schuld van belanghebbende aan VBV van ƒ 158.659,-- wegens onbetaald gebleven leveringen. Deze schuld wordt door belanghebbende niet betwist. VBV heeft in haar administratie haar vordering op belanghebbende wegens oninbaarheid geheel afgeboekt ten laste van het resultaat.

2.5. In een brief van VBV aan belanghebbende van 2 oktober 1995 staat het volgende:

"Geachte heer X,

Uit de per 22-10-1994 beëindigde franchise-overeenkomst is voortgevloeid dat U ons nog een bedrag verschuldigd bent van ƒ 158.659,66.

U hebt mondeling diverse keren dit bedrag als uw schuld aan ons erkend; voor alle goede orde verzoeken wij U dat eveneens schriftelijk te doen door de bijgaande copie van deze brief daarvoor voor accoord te ondertekenen en ons te retourneren.

De invordering van dit bedrag zullen wij na ontvangst van uw accoord met het verschuldigde bedrag niet ter hand nemen, maar tot nader order aanhouden.

Zodra uw positie het weer toe laat, beschouwen wij het niet meer dan billijk dat U ons daarvan terstond mededeling doet en zo mogelijk de schuld direct betaalt althans ons een betalingsregeling voorstelt.

Wij vertrouwen erop dat U hierover dezelfde mening hebt en verzoeken U ten blijke daarvan de copie van deze brief voor accoord te ondertekenen en aan ons te retourneren.

In afwachting van e.a.a. verblijven wij,".

2.6. Tot op de dag van de mondelinge behandeling heeft VBV overigens geen pogingen gedaan de schuld te innen. Evenmin heeft belanghebbende enige aflossing verricht.

2.7. In zijn aangifte heeft belanghebbende een verlies uit onderneming aangegeven van

ƒ 117.226,--, en een belastbaar inkomen van negatief ƒ 136.403,--.

2.8. Bij de aanslagregeling heeft de Inpecteur een in de belastingheffing te betrekken kwijtscheldingswinst geconstateerd van ƒ 136.403,-- en heeft op die grond bij de onderhavige voor bezwaar vatbare beschikking geweigerd verliesverrekening met voorafgaande jaren toe te passen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht heeft geweigerd het voor verrekening vatbare verlies vast te stellen op ƒ 136.403,--.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

De Inspecteur heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht:

Ik erken dat op het stakingstijdstip en per ultimo 1994 VBV haar vordering op belanghebbende niet had kwijtgescholden. Waar het mij om gaat is dat de schuld bij staking een waarde in het economische verkeer had van vrijwel nihil.

Het beloop van de vordering was op het stakings moment niet onzeker. De nominale waarde en de overige voorwaarden stonden vast. Onzeker was alleen of belanghebbende aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verrekening van een verlies over 1994 groot ƒ 136.403,-- met zijn inkomens over de jaren 1991 tot en met 1993.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de schuld aan VBV bij de staking op 20 oktober 1994 het ondernemingsvermogen heeft verlaten en dat bij de waardering van deze schuld op de stakingsbalans van die datum uitgegaan moet worden van de waarde van de schuld in het economische verkeer. Deze waarde bedraagt volgens de Inspecteur (nagenoeg) nihil, gezien de vermogens- en inkomenspositie van belanghebbende in de maand oktober 1994.

4.2. Het Hof is het eens met het uitgangspunt van de Inspecteur dat de schuld op de stakingsbalans per 20 oktober 1994 moet worden opgenomen tegen de waarde in het economische verkeer. Het Hof kan de Inspecteur echter niet volgen in zijn stelling dat die waarde vanwege de vermogens- en inkomenspositie van belanghebbende moet worden gesteld op (nagenoeg) nihil. Anders dan de Inspecteur kennelijk meent moet bij de vaststelling van de waarde van een schuld in het vermogen van de debiteur, niet worden uitgegaan van de waarde die de corresponderende vordering heeft in het vermogen van de crediteur, maar dient de debiteur de schuld te waarderen tegen de waarde die deze schuld in zijn vermogen vertegenwoordigt. Dat is in het algemeen het bedrag dat de debiteur aan een derde zou moeten betalen bij overname van de schuld door die derde. Hierbij moet worden opgemerkt dat schuldoverneming op grond van het bepaalde in artikel 6:155 BW pas werking jegens de crediteur heeft, indien deze zijn toestemming heeft gegeven, en dat een crediteur in het algemeen geen toestemming zal verlenen aan overneming door een insolvabel persoon. Daarom zal de waarde in het economische verkeer van een schuld in het algemeen gelijk zijn aan de nominale waarde van de schuld, ook als - zoals in het onderhavige geval - onzeker is of de debiteur de schuld zal kunnen aflossen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geval van het voorgaande zou moeten worden afgeweken zijn gesteld noch gebleken.

4.3. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de belastbare inkomens over de jaren 1991 tot en met 1993 moeten worden verminderd tot nihil. Deze vermindering dient op grond van het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te geschieden door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Voor elke te verminderen aanslag dient een afzonderlijke beschikking te worden afgegeven. De Inspecteur heeft echter in één beschikking verliesverrekening geweigerd. In plaats daarvan had hij op het verzoek van belanghebbende strekkende tot verrekening van het verlies met de inkomens over de jaren 1991 tot en met 1993 drie afzonderlijke beschikkingen af moeten geven en vervolgens in drie afzonderlijke uitspraken op het bezwaar van belanghebbende moeten beslissen.

Nu belanghebbende echter door schending van dit vormvoorschrift niet in zijn belangen is geschaad zal het Hof daaraan voorbij gaan. Om redenen van proceseconomie zal het Hof thans in één uitspraak de beslissing nemen die de Inspecteur in drie afzonderlijke beschikkingen had behoren te nemen.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 1,5 ofwel ƒ 2.130,--.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak en de voor bezwaar vatbare beschikking waarbij de Inspecteur verrekening van verlies met de jaren 1991, 1992 en 1993 heeft geweigerd, vermindert de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van belanghebbende over de jaren 1991, 1992 en 1993 tot aanslagen naar een belastbaar inkomen van nihil, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 80,-- en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 2.130,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 2 augustus 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 2 augustus 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.