Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6805

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20692
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/50.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/20692

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1993, aanslagnummer H.37.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is aanvankelijk een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 76.159,--.

De onderwerpelijke navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.101,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 12 juli 2000 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende ter zitting een kopie van de overeenkomst betreffende sponsoring van 10 maart 1993 overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende drijft een detailhandel. Hij heeft twee winkels, in Q en P en standplaatsen op een aantal weekmarkten. De omzet van belanghebbendes onderneming (hierna ook wel aangeduid als: de winkels) bedroeg in 1993 ƒ 1.000000,--. De bruto winstmarge was ƒ 400000,--. De in de aangifte opgegeven winst uit onderneming bedroeg ƒ 90000,--.

2.2. Op 25 februari 1992 heeft belanghebbende een besloten vennootschap opgericht waarvan hij de enig aandeelhouder en directeur is. Deze vennootschap, genaamd T B.V. (verder: de BV), houdt zich bezig met de handel in veulens en paarden en het opleiden van paarden voor de springsport. De werkzaamheden voor de BV worden verricht door belanghebbende en zijn partner. Paarden van de BV doen mee aan ongeveer dertig wedstrijden per jaar op landelijk en nationaal niveau.

2.3. Op 10 januari 1993 hebben belanghebbende, als sponsor, en de BV, als gesponsorde, een overeenkomst gesloten, ingaande 1 januari 1993. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:

"1. Gesponsorde zal sponsors naam uitdragen en van naamsbekendheid voorzien zoveel als de mogelijkheden van gesponsorde reiken.

2. Gesponsorde zal sponsors naam uitdragen door middel van reklame-uitingen op vervoermiddelen, dekens, zadeldekken, als mede de tenaamstelling van de door hem op wedstrijden uit te brengen paarden.

3. Sponsor zal gesponsorde hiervoor een vergoeding betalen van:

a. als voorschot een bedrag van f. -,= exclusief BTW per maand, te voldoen per eerste van een maand;

b. per ultimo van een jaar een eventuele definitieve bijdrage in een exploitatietekort van T, nader vast te stellen in een door een deskundige op te stellen jaarverslag.

4. Een eventueel overschot in de exploitatie van gesponsorde dient in onderling overleg tussen gesponsorde en sponsor te worden aangewend, waarbij terugbetaling van de voorschotten tot de mogelijkheden moet worden gerekend.

5. Bij verkoop van paarden, waaruit een batig saldo resulteert t.o.v. de inkoop- danwel inbrengwaarde dient dit batige saldo aangewend te worden voor de exploitatie van het bedrijf van gesponsorde, danwel voor de investering in nieuwe paarden, welk in overleg met sponsor dient te geschieden.

(_)"

2.4. De BV heeft op de volgende wijzen de naam van belanghebbendes winkels uitgedragen:

a. door vermelding van de naam en het logo van de winkels op de volle zijkant van de vrachtauto die de BV gebruikt voor paardentransport;

b. door vermelding van de naam en het logo van de winkels, ter grootte van 10 bij 20 centimeter op de paardendekens die de BV gebruikt;

c. door vermelding van de naam en het logo van de winkels, ter grootte van 7,5 bij 1,5 centimeter op de zadeldekken die de BV gebruikt;

d. door vermelding van de naam en het logo van de winkels op de hindernis die door de BV werd geleverd voor wedstrijden waaraan paarden van de BV meededen;

e. doordat alle paarden van de BV een naam dragen die aanvangt met "T".

2.5. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 30.000,-- aan sponsorgelden aan de BV betaald en deze als zakelijke kosten in aftrek van zijn winst uit onderneming gebracht. Daarnaast heeft belanghebbende in het onderhavige jaar een bedrag van ƒ 700,-- aan advertentiekosten ten laste van zijn winst uit onderneming gebracht.

2.6. Nadat op 29 april 1995 de aanslag over het onderhavige jaar was opgelegd conform de aangifte, is door de Inspecteur op 16 en 17 april 1996 een controle-onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van het rapport van de controlerend ambtenaar is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de door hem aan de BV betaalde sponsorgelden bij de berekening van zijn winst uit onderneming als kostenpost in aanmerking kan nemen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd:

Belanghebbende: Ik verzoek om veroordeling van de Inspecteur in de kosten van rechtsbijstand in verband met deze procedure, zulks conform het puntenstelsel van de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures.

De Inspecteur: De wedstrijden waaraan door de BV werd deelgenomen vonden plaats in heel Nederland, terwijl de winkels van belanghebbende in de regio U en P zijn gelegen. Belanghebbende had geen enkel belang bij naamsbekendheid buiten die regio.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de navorderingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende heeft gesteld en de Inspecteur heeft niet betwist dat de betalingen van sponsorgelden hebben plaatsgevonden uit hoofde van het sponsorcontract van 10 januari 1993. Tegenover deze betalingen heeft belanghebbende kort gezegd bedongen dat de BV reklame zou maken voor de winkels van belanghebbende. Vaststaat voorts dat de BV daadwerkelijk reklame voor de winkels van belanghebbende heeft gemaakt op de in 2.4 omschreven wijze.

4.2. De Inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de uitgaven in verband met de sponsoring hun oorzaak vinden in persoonlijke overwegingen en daarmee een onttrekking aan het ondernemingsvermogen van belanghebbende zijn.

Het Hof kan de Inspecteur hierin niet volgen. Nu tegenover de verstrekking van de sponsorgelden een prestatie ten behoeve van de onderneming van belanghebbende is bedongen en ontvangen moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat de uitgaaf is gedaan in het kader van de uitoefening van de onderneming. De omstandigheden dat belanghebbende affiniteit heeft met de paardensport en dat hij zelf directeur en enig aandeelhouder van de BV is doen hieraan niet af.

Voor zover de Inspecteur bedoeld heeft te stellen dat de voor de reklame-uitingen bedongen prijs onzakelijk is en op die grond voor de winstberekening van belanghebbendes onderneming correctie behoeft, heeft te gelden dat deze stelling verworpen dient te worden nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende en de BV in de overeenkomst welbewust de sponsorbetalingen hebben vastgesteld op een hoger bedrag dan de waarde van de door de BV te verrichten reklame-activiteiten.

4.3. Subsidiair heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de uitgaven in een zodanige wanverhouding staat tot het vermeende nut, dat geen redelijk denkend en handelend ondernemer zou overgaan tot sponsoruitgaven met een omvang zoals in casu het geval.

Ook hierin kan het Hof de Inspecteur niet volgen. Zoals belanghebbende heeft gesteld, en de Inspecteur niet heeft betwist, is het nut van reklame-activiteiten in het algemeen, en zeker voor een onderneming als die van belanghebbende, niet goed te meten. De door de BV verrichte reklame-activiteiten waren naar het oordeel van het Hof van een zodanige aard en omvang dat belanghebbende in redelijkheid kon menen dat de voordelen voor de onderneming tegen de kosten zouden opwegen. De onderhavige uitgaven zijn voorts bezien tegen de achtergrond van de omzet, bruto winstmarge en netto winst van de onderneming niet excessief.

4.4. Het gelijk is gezien het voorgaande aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak en de navorderingsaanslag moeten worden vernietigd.

5. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het Besluit proceskosten fiscale procedures, vast op 2 (punten) maal ƒ 710,= (waarde per punt) maal 1 (gewicht van de zaak) maal 1 (minder dan 4 samenhangende zaken) ofwel ƒ 1.420,=.

Het Hof zal in ieder van de twee samenhangende zaken (kenmerk 97/20692 en 97/21232) aan belanghebbende een kostenvergoeding toekennen van ƒ 710,=.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vernietigt de navorderingsaanslag, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 80,-- en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1.420,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 2 augustus 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 2 augustus 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.