Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6503

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/02052
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1051
V-N 2000/41.1.1

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/02052

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 110.007,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 26 april 2000 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer P, alsmede de heer Q, namens de Inspecteur, tot bijstand vergezeld van mevrouw R.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is op 6 oktober 1994 buiten gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2. Vóór het huwelijk hadden zowel belanghebbende als haar echtgenoot een lijfrente-overeenkomst afgesloten. De jaarpremie die belanghebbende op grond van de door haar gesloten lijfrente-overeenkomst verschuldigd is bedraagt ƒ 11.926,--. De jaarpremie die haar echtgenoot verschuldigd is uit hoofde van de door hem gesloten lijfrente-overeenkomst bedraagt ƒ 16.863,--.

2.3. Op beide lijfrente-overeenkomsten is vanaf 1992 de eerbiedigende werking van artikel 75 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995)(verder: de wet) toegepast.

2.4. Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar een persoonlijk inkomen dat hoger was dan dat van haar echtgenoot.

2.5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de hiervoor genoemde en in 1995 door belanghebbende en haar echtgenoot voldane premiebedragen met toepassing van artikel 5, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1991) samengevoegd en slechts bij belanghebbende in aftrek toegelaten tot het in artikel 75, derde lid, van de Wet, genoemde maximum van ƒ 19.670,--.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op vraag of het aftrekmaximum buiten toepassing moet blijven wegens strijd met de eerbiedigende werking, wegens discriminatie van gehuwden ten opzichte van ongehuwd samenwonenden, of wegens een ongeoorloofde inmenging in het privéleven.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.888,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende betoogt in de eerste plaats dat toepassing van de aftrekbeperking in strijd is met de strekking van voornoemd artikel 75, dat immers een eerbiedigende werking beoogt voor te schrijven. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. De door belanghebbende verdedigde strekking van die bepaling kan immers niet leiden tot een uitleg die strijdig is met de duidelijke bewoordingen ervan. Voorts ziet het Hof niet in in welk opzicht de aftrekbeperking afbreuk doet aan de eerbiedigende werking. Onder de werking van het vóór 1 januari 1992 geldende recht goldt immers eenzelfde aftrekbeperking.

4.2. In de tweede plaats stelt belanghebbende dat zij wordt getroffen door discriminatie van gehuwden ten opzichte van ongehuwd samenwonenden, welke discriminatie is verboden in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder: IVBPR) en in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM.

4.3. Deze discriminatie bestaat in de visie van belanghebbende hierin dat ongehuwd samenwonende partners op grond van artikel 75, derde lid, van de Wet elk voor zich gebruik kunnen maken van het premiemaximum van (in 1995) ƒ 19.670,--, terwijl gehuwden op grond van het bepaalde in artikel 5 van de Wet (tekst 1991) juncto artikel 75, eerste lid, van de Wet, de premies in aanmerking moeten nemen bij één van hen, zonder dat voor laatstbedoelde partner de maximale premieaftrek wordt verhoogd. Om deze discriminatie ongedaan te maken, zo stelt belanghebbende verder, moet het echtgenoten worden toegestaan de aan de ene echtgenoot toekomende aftrekruimte over te dragen aan de andere echtgenoot, zulks analoog aan hetgeen voor "nieuw regime lijfrenten" is toegestaan in artikel 45a, eerste lid, van de Wet.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen echter ongehuwd samenwonenden en gehuwd samenwonenden niet als gelijke gevallen worden aangemerkt (HR 27 september 1989, BNB 1989/61 en HR 15 december 1999, nr. 35.016, V-N 2000/6.1; in gelijke zin ECRM 13 oktober 1993, nr. 21663/93, FED 1993/816).

4.5. Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat sprake is van een onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen, heeft het volgende te gelden. Belanghebbende moet worden toegegeven dat niet aanstonds duidelijk is waarom gehuwd samenwonenden onder de voor belanghebbende toepasselijke regels een faciliteit ten behoeve van de opbouw van een oudedagsvoorziening wordt geboden waarvan de geldelijke omvang slechts de helft bedraagt van de faciliteit waarover ongehuwd samenwonenden in dit verband kunnen beschikken. Ook de parlementaire geschiedenis van artikel 45 van de Wet, waarin oorspronkelijk de aftrekbeperking van (destijds) f 5.000,--, was neergelegd, biedt geen duidelijkheid hieromtrent.

4.6. Niettemin is het Hof van oordeel dat voor een ingrijpen door de rechter in de door belanghebbende bepleite zin geen ruimte bestaat, aangezien de onderhavige ongelijke behandeling inmiddels is weggenomen in het huidige artikel 45a van de Wet, de in artikel 75 van de Wet neergelegde regeling een overgangsbepaling bevat met een tegemoetkomend karakter en het belanghebbende vrij stond te opteren voor toepassing van voornoemd artikel 45a.

Aan het voorgaande doet niet af de omstandigheid dat toepassing van artikel 45a wellicht tot een lagere maximumaftrek voor belanghebbende en haar echtgenoot zou hebben geleid.

4.7. De stelling van belanghebbende dat toepassing van artikel 75 in samenhang met artikel 5 van de Wet (tekst 1991) leidt tot een willekeurige en onwettige inmenging in haar privé- en gezinsleven, moet eveneens worden verworpen. Zoals de Hoge Raad reeds in zijn arrest van 15 september 1993, nr. 27.858, BNB 1993/344, heeft beslist voor de toerekening van vermogensbestanddelen op grond van artikel 5 van de Wet op de vermogensbelasting 1964, leidt toepassing van het in artikel 5 van de Wet neergelegde stelsel van samentelling niet tot strijd met artikel 17, eerste lid, IVBPR.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak

Aldus vastgesteld op 14 juni 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 juni 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.