Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/00533
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1035
V-N 2000/41.15

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/00533

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de Xstichting te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 24.204,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 8 maart 2000 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota 2 bijlagen overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, opgericht in 1991, heeft als feitelijke en statutaire doelstelling de bevordering van sportbeoefening door studenten in het stadsgewest Z.

2.2. Teneinde haar doelstelling te verwezenlijken verzorgt belanghebbende de faciliteiten en de begeleiding voor recreatieve sportbeoefening door studenten in Z.

2.3. Studenten uit Z kunnen voor een gering bedrag (minimaal f 40,--) een sportkaart kopen die als passe-partout fungeert voor sommige van de door belanghebbende aangeboden sportactiviteiten, zoals fitness en badminton. Voor andere sporten, zoals tennis, moet door de deelnemers worden bijbetaald.

2.4. Naast de bedragen betaald door de studenten die participeerden in de activiteiten, ontvangt belanghebbende een substantiële bijdrage van de twee in Z gevestigde scholen. Zonder deze bijdragen zou belanghebbende in elk jaar sinds haar oprichting verlies lijden.

2.5. In het onderhavige jaar stonden blijkens de resultatenrekening van belanghebbende tegenover de totale lasten ad f 214.648,--. De volgende baten:

Bijdragen scholen f 90.213,--

Bijdragen participanten f 131.602,--

Sponsorgelden f 18.745,--

Overige resultaten f 2.319,--

Totale baten f 242.879,--

2.6. Na afboeking van een negatief bijzonder resultaat, heeft belanghebbende in de resultatenrekening een totaal resultaat van ƒ 26.915,-- berekend.

2.7. De beide scholen hebben de oprichting van belanghebbende in 1991 gestimuleerd om zo de sportbeoefening door studenten in Z te bevorderen. De subsidies dienen als bijdrage in de exploitatietekorten van belanghebbende.

2.8. Aan de subsidiëring door de beide scholen ligt geen overeenkomst ten grondslag. Ook overigens heeft belanghebbende zich niet verbonden tegenover de subsidieverstrekking bepaalde prestaties te verrichten.

2.9. In 1999 zijn op verzoek van de scholen de statuten van belanghebbende gewijzigd in die zin dat indien en voorzover belanghebbende positieve resultaten uit haar activiteiten behaalt, dit positieve resultaat binnen zes maanden na afloop van het desbetreffende boekjaar dient te worden gerestitueerd aan de subsidieverstrekkende instellingen van belanghebbende naar rato van de voor dat boekjaar verstrekte subsidie.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag

of belanghebbende belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag is vervolgens in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar belastbare winst heeft behaald.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Aan de vaststaande feiten vermeld in de onderdelen 2.7 tot en met 2.9. verbindt het Hof de gevolgtrekking dat de subsidies verstrekt door de beide scholen het karakter hadden van betalingen die zijn gedaan uit vrijgevigheid aan belanghebbende door personen die geen belang hadden bij de activiteiten van belanghebbende, en dat deze subsidies zijn verstrekt ter versterking van het vermogen van belanghebbende.

4.2. Dergelijke subsidies kunnen gelet op hetgeen is beslist door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 maart 1999, nummer 33.575, BNB 1999/208, niet tot de winst worden gerekend.

4.3. Voor dat geval staat tussen partijen vast dat belanghebbende in het onderhavige jaar geen belastbare winst heeft behaald. Dit brengt mee dat de bestreden uitspraak en de aanslag moeten worden vernietigd. In het midden kan blijven of belanghebbende terecht is aangemerkt als belastingplichtige.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 punten maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 1 ofwel ƒ 1.420,--.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vernietigt de aanslag, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 75,-- en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1.420,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 20 juni 2000 door R.J. Koopman, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van C.A.F. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 20 juni 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.