Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6416

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01265
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-0443
V-N 2000/41.1.8

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01265

HET GERECHTSHOF TE ‘s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van B te O tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid douane te R van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) betreffende het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag heeft als dagtekening 15 december 1997 en bedraagt ƒ 4.262,--; het tegen de aanslag gemaakte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De zaak is behandeld in raadkamer ter zitting van het Hof van 12 november 1999 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, drs H en drs C.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en

exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota twee bijlagen overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende drijft een cafetaria.

Op 18 maart 1992 is op zijn naam een kentekenbewijs deel II afgegeven voor een motorrijtuig van het merk Nissan, type Terrano 2.7 DT 4WD VAN, kenteken 00-00-QQ.

2.2. Tot de gedingstukken behoort een “Verklaring omtrent ombouw” d.d. 20 juni 1994 van de douanepost R,

welke luidt als volgt:

“Op 20-06-1994 is aan mij getoond het vervoermiddel:

Nissan TERRANO 2.7 DT 4WD VAN

PP000000000

00-00-QQ

waarvan deel 1 is afgegeven op 18-03-1992.

Dit vervoermiddel is op grond van de Wet BPM die van toepassing was tot en met 31-12-1993 niet aan te merken als

een personenauto en was derhalve niet BPM-plichtig.

Op grond van de wetswijziging zoals deze is bekend gemaakt op 23-12-1993, Staatsblad 1993 nr. 673 moet dit vervoermiddel thans worden aangemerkt als personenauto.

Als gevolg van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel II

van de Wet van 16-12-1993 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in verband met de verruiming van het begrip personenauto (Staatsblad 1993, nr. 673) is voor deze personenauto geen BPM verschuldigd

indien de ombouw, (i.c. het aanbrengen van zitplaatsen/of zijruiten in de laadruimte) binnen de periode 1-1-1994 tot

2-7-1994 heeft plaatsgevonden en vanaf het moment van ombouw

de motorrijtuigenbelasting, naar het tarief dat geldt voor

personenauto’s, is betaald.

Heden is vastgesteld dat voor bovengenoemde personenauto aan deze voorwaarden is voldaan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij vervreemding van

deze personenauto na 1-7-1994 de BPM alsnog verschuldigd is

en wel door degene op wiens naam de personenauto onmiddellijk voor of op het tijdstip van vervreemding is geregistreerd.

Deze verklaring kan bij vervreemding vóór 2-7-1994 aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen.

Deze verklaring wordt slechts éénmaal verstrekt en omtrent de afgifte hiervan wordt aantekening gesteld in het kentekenregister van de RDW”.

2.3. Belanghebbende heeft het motorrijtuig overgedragen aan W te H, op wiens naam het kentekenbewijs deel II op 24 mei 1996 is overgeschreven.

2.4. Als bijlage 2 bij zijn pleitnota heeft de Inspecteur

een factuur gedagtekend 8 mei 1995 van X Carrosserie Specialisten te Q, gericht aan belanghebbende, overgelegd. Daarin is vermeld:

“Terrano:

monteren verhoogd dak

plaatsen laadvloer

6 ramen blinderen” ƒ 5.600,--

17,5% BTW ƒ 980,--

ƒ 6.580,--“.

2.5. Na juni 1994 heeft belanghebbende motorrijtuigenbelasting betaald naar het tarief, geldend voor een personenauto.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de sub 1.1 vermelde naheffingsaanslag is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Inspecteur heeft zich tot staving van zijn standpunt beroepen op de sub 2.2 weergegeven “Verklaring omtrent ombouw”.

Belanghebbende heeft daartegenover aangevoerd dat het onderhavige motorrijtuig nimmer is omgebouwd tot personenauto,

dat genoemde verklaring niet aan hem is uitgereikt en dat hij

er ook niet om heeft gevraagd.

4.2. In de bestreden uitspraak is onder meer vermeld:

“Niet van belang is of de ombouw reeds daadwerkelijk heeft

plaatsgevonden. Het afgeven door de douane van de ombouwverklaring op 20-06-1994 op uw verzoek was op dat moment voldoende om als personenauto te worden aangemerkt”.

De aangehaalde volzinnen duiden erop dat een ombouwverklaring op zichzelf beschouwd niet steeds kan gelden als een ambtelijke vaststelling dat ombouw daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

4.3. De Inspecteur heeft zich echter mede beroepen op de door hem in het geding gebrachte, sub 2.4 genoemde factuur,

en op de omstandigheid dat belanghebbende na juni 1994 op

eigen initiatief motorrijtuigenbelasting naar het tarief, geldend voor een personenauto is gaan betalen.

4.4. Aan de “Verklaring inzake ombouw”, de factuur en de sub

4.3 vermelde omstandigheid, in onderlinge samenhang bezien,

ontleent het Hof het vermoeden dat het onderhavige motorrijtuig in de periode 1 januari tot 20 juni 1994 door het aanbrengen van zijruiten in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto is. Belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd.

Het moet er dan ook voor worden gehouden dat in casu is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de overgangsregeling, neergelegd in artikel II, lid 2, van de Wet van 16 december 1993, Stb. 673, in verband met de verruiming van het begrip personenauto (hierna: Wijzigingswet bpm).

Op grond van die regeling kon belanghebbende het motorrijtuig “oprijden” zonder verschuldigdheid van bpm; doch bij vervreemding na 1 juli 1994 - gelijk zich in casu heeft voorgedaan - diende hij bpm te voldoen.

4.5. Aan het sub 4.4. overwogene doet niet af dat het motorrijtuig ten tijde van de vervreemding - als gevolg van de de in de factuur omschreven werkzaamheden - (weer) als bestelauto diende te worden aangemerkt.

Met “de personenauto” in het tweede lid van artikel II is bedoeld het motorrijtuig dat voor 1 januari 1993 is geregistreerd en dat uiterlijk op 1 juli 1994 door het aanbrengen van zijruiten of zitplaatsen in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto was. Het zou voorts in strijd zijn met de strekking van het tweede lid van artikel II van de Wijzigingswet bpm - te weten uitstel van heffing van bpm ter zake van het in het eerste lid omschreven belastbare feit - indien de heffing van bpm ter zake van een belastbaar feit dat zich heeft voorgedaan, zou kunnen worden ontgaan door de personenauto voor de vervreemding om te bouwen tot een auto welke niet kan worden aangemerkt als personenauto.

4.6. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk aan de Inspecteur, zodat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 20 juni 2000 door mr A. Bijlsma, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van mr C.A.F.M. Stassen, waarnemend- griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 20 juni 2000