Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6289

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20563
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/20563

24 mei 2000

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, inzake het beroep van de heer N te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te R van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993.

DE MONDELINGE BEHANDELING

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 mei 2000.

Aldaar is namens de Inspecteur verschenen en gehoord mr. M. Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 10 april 2000 per aangetekende post aan het van hem bekende adres verzonden oproeping, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort, heeft kennisgegeven van plaats, dag en uur der mondelinge behandeling.

Uit de tot de stukken van het geding behorende ontvangstbevestiging blijkt dat evenbedoelde oproeping aan het evenbedoelde adres is uitgereikt aan een persoon die voor ontvangst heeft getekend.

DE BESLISSING:

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

DE GRONDEN:

1. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 2 juni 1993 nr. 28 294), ondermeer gepubliceerd in BNB 1993/296*, in een geval waarin tussen een belastingplichtige en de belastingdienst in het kader van een compromis overeenstemming was bereikt omtrent het opleggen van een aanslag naar een hoger belastbaar inkomen dan aangegeven en de aanslag in strijd daarmee toch werd opgelegd naar het oorspronkelijk aangegeven belastbare inkomen, beslist dat de betreffende belastingplichtige ter afwering van de in verband met die fout opgelegde navorderingsaanslag zich niet met vrucht kon beroepen op het ambtelijke verzuim dat bij de aanslagregeling was begaan.

2. De Hoge Raad heeft voormelde beslissing gemotiveerd met te overwegen dat "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het immers onaanvaardbaar zou zijn dat een navorderingsaanslag welke is opgelegd om de belastingheffing in overeenstemming te brengen met een daaromtrent gesloten overeenkomst, zou kunnen worden afgeweerd net een beroep op een ambtelijk verzuim, begaan bij het opleggen van de primitieve aanslag indien het de belastingplichtige bij de ontvangst van de primitieve aanslag duidelijk moet zijn geweest dat de Inspecteur heeft verzuimd met de inhoud van de overeenkomst rekening te houden.".

3. Het geval van belanghebbende is vergelijkbaar met het geval in het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad. Tussen belanghebbende en de Inspecteur was overeenstemming bereikt omtrent de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991. Die overeenstemming veroorzaakte ondermeer dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 moest worden verminderd met een bedrag van fl. 2.351,-- wegens nog te verrekenen WIR-premie. Omtrent de vermindering van de aanslag met een bedrag van ƒ 2.351,-- heeft de Inpecteur belanghebbende bij brief van 23 september 1996 duidelijk geïnformeerd. Als gevolg van een fout werd de aanslag, ambtshalve, verminderd met een bedrag van ƒ 3.996,--, derhalve met (ƒ 3.996,-- - ƒ 2.351,-- =) ƒ 1.645,-- te veel. Belanghebbende moet het bij ontvangst van de desbetreffende beschikking duidelijk zijn geweest dat dat niet in overeenstemming was met de inhoud van de met de Inspecteur gesloten overeenkomst.

4. De Inspecteur heeft evengemeld bedrag bij de onderhavige navorderingsaanslag nagevorderd, met toepassing van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarmee heeft hij de heffing van belasting in overeenstemming gebracht met de met belanghebbende gesloten overeenkomst. Dat is, gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad, terecht. De bestreden uitspraak, waarbij de navorderingsaanslag werd gehandhaafd, moet derhalve worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 24 mei 2000 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 6 juni 2000

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ¦ 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ¦ 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.