Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6249

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/03014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 877

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/03014

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 26 april 2000 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar is verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden,

10 mei 2000, de volgende monde-linge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. Tussen partijen staat blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

1.1. Belanghebbende heeft in 1996 uit verschillende inkomensbronnen inkomen genoten. Hij is in de loop van het jaar in dienstbetrekking gekomen bij R te Z.

In het kader van deze dienstbetrekking is hem door de werkgever in het onderhavige jaar vanaf 15 juli een personenauto met een cataloguswaarde van ƒ 28.700,= -met inbegrip van de omzetbelasting en vermeerderd met de belasting van personenauto's en motorrijwielen- ter beschikking gesteld.

1.2. Daarnaast heeft belanghebbende in 1996 een ontslaguitkering ontvangen van S BV. Deze ontslaguitkering is tot stand gekomen door tussenkomst van de kantonrechter, die de arbeidsovereenkomst per 1 maart 1996 heeft ontbonden. Deze ontslaguitkering is vastgesteld op ƒ 20.100,=.

De totale nabetaling die in 1996 is ontvangen van de ex-werkgever bedroeg ƒ 21.276,=, onder inhouding van ƒ 7.979,= loonheffing.

1.3. In de aangifte van belanghebbende is geen bijtelling privé-gebruik auto aangegeven. Tevens is er inzake de nabetaling slechts een bedrag van ƒ 20.100,= in het inkomen begrepen.

1.4. Bij de aanslagregeling hebben er correcties op het inkomen plaatsgevonden. Voor privé-gebruik auto heeft er voor 5½ maand een bijtelling van 20 percent van de catalogusprijs van de in 1.1. bedoelde personenauto op grond van het bepaalde in artikel 42, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) plaatsgevonden.

Daarnaast is het verschil tussen het totaal van de nabetaling en de ontslaguitkering gecorrigeerd.

2. Ten eerste is tussen partijen in geschil of artikel 42, derde lid, van de Wet ten onrechte is toegepast omdat de in 1.1. bedoelde personenauto in bovenvermelde periode voor minder dan (5½/12 x 1000=)460 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, hetgeen belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

2.1. Belanghebbende beroept zich op een aan de hand van zijn agenda gemaakte kilometeradministratie. Het Hof acht met deze kilometeradministratie niet overtuigend aangetoond dat de in 1.1. bedoelde personenauto in bovenvermelde periode voor minder dan 460 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

De kilometeradministratie is niet opgemaakt door per rit het verschil te noteren van de eindstand en de beginstand van de kilometerteller.

Bij de kilometeradministratie is geen route per rit aangegeven, zodat niet controleerbaar is of belanghebbende het

bij verschillende dagen in zijn agenda aangegeven aantal kilometers ook daadwerkelijk gereden heeft.

Belanghebbende heeft vervolgens onvoldoende verklaring gegeven voor het feit dat in de administratie voor ritten met dezelfde omschrijving afstanden zijn genoteerd die aanzienlijk van elkaar verschillen.

2.2. Belanghebbende heeft evenmin op andere wijze overtuigend aangetoond dat hij met de personenauto minder dan 460 kilometer voor privédoeleinden heeft gereden.

Een verklaring aan de werkgever dat belanghebbende privé geen gebruik zal maken van de auto van de werkgever en het feit dat belanghebbendes eigen auto groter is dan de hem door de werkgever ter beschikking gestelde auto doen aan dit oordeel niet af.

3. Ten tweede is in geschil of de ontslaguitkering kan worden aangemerkt als een onbelaste immateriële schadevergoeding, hetgeen belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

3.1. In zijn tot de stukken van dit geding behorende beschikking heeft de Kantonrechter een schadevergoeding toegekend ter zake van door belanghebbende geleden inkomensverlies. In die beschikking is voorts uitdrukkelijk geen vergoeding voor immateriële schade toegekend.

De toegekende schadevergoeding hangt zozeer samen met de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

3.2 De stelling van belanghebbende dat voorbij moet worden gegaan aan kwalificatie die de Kantonrechter heeft gegeven aan de schadevergoeding, faalt. Weliswaar is de belastingrechter gehouden zelfstandig de fiscale kwalificatie van een schadevergoeding te toetsen en mag hij daarbij niet zonder meer afgaan op het oordeel van de Kantonrechter, maar dat kan belanghebbende niet baten, nu uit de beschikking van de Kantonrechter blijkt dat de toegekende schadevergoeding strekt tot herstel van inkomensschade.

4. Uit al het voorgaande volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 10 mei 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 22 mei 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ƒ 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.