Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6154

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01575
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/36.1.13

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01575

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid douane te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) betreffende het jaar 1996, nr. 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag heeft als dagtekening 12 november 1997 en bedraagt ƒ 44.671-- aan bpm en ƒ 1.018,--

aan heffingsrente, totaal ƒ 45.689,--; het tegen de aanslag gemaakte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De zaak is behandeld in raadkamer ter zitting van 29 maart 2000 te

's-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede, de Inspecteur.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en

exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Op 16 januari 1996 werd bij de Regiopolitie Brabant Noord aangifte gedaan van diefstal van een personenauto merk

Mercedes 500E, chassisnummer 1, voorzien van

het Belgische kenteken AAA-111, die op 16 januari 1996

te Z werd weggenomen.

2.2. In een proces-verbaal van S, brigadier van de politie Midden en West Brabant, opgemaakt in 1996, is onder meer vermeld dat op 16 januari 1996 tussen 17.00 uur en 22.30 uur door personeel van het observatieteam

de volgende waarnemingen werden gedaan:

1. om 19.04 uur reed een Volkswagen Golf met kenteken AA-AA-AA

met daarin X en V in K. X droeg zijn haar in een staartje.

2. om 20.54 uur reed de Golf met dezelfde inzittenden de

parkeerplaats van motel W te K op. Even later kwam de Golf met daarachter een Mercedes met kenteken AAA-111 het parkeerterrein afgereden. In ieder voertuig zat nu 1 persoon, de man met het haar in een staart was nu bestuurder van de Mercedes.

3. om 21.05 uur werd de Mercedes in een loods aan de

Astraat te K geplaatst.

4. om 21.10 uur reden twee personen weg in de Golf.

2.3. De sub 2.2. genoemde waarnemingen zijn neergelegd

in een proces-verbaal van 1996, opgemaakt door

verbalisanten die niet bij hun naam, doch met een code

(H001, H003, A001, D002, M001, O001 en V005) zijn aangeduid; het proces-verbaal is ondertekend.

2.4. Belanghebbende woonde in 1996 in Nederland. Hij is wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tot gevangenisstraf veroordeeld.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de sub 1.1 genoemde naheffingsaanslag is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Belanghebbende heeft daaraan ter zitting nog toegevoegd:

De Mercedes is omstreeks 19 januari 1996 verhandeld door

V en afgeleverd aan Z. Niet aan belanghebbende, doch aan een van deze personen stond de auto feitelijk ter beschikking.

Belanghebbende is niet strafrechtelijk veroordeeld wegens diefstal van de auto; de juistheid van de observaties is door de strafrechter niet beoordeeld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de sub 2.2 en 2.3 genoemde waarnemingen. Het enkele feit dat de namen van de verbalisanten die deze waarnemingen hebben gedaan, niet in de sub factis vermelde processen-verbaal worden genoemd, tast hun betrouwbaarheid niet aan en rechtvaardigt evenmin het oordeel dat belanghebbende in zijn verdediging "ontoelaatbaar" wordt geschaad.

Aan genoemde waarnemingen, in onderlinge samenhang beschouwd, ontleent het Hof het vermoeden dat belanghebbende op 16

januari 1996 met de onderhavige Mercedes 500 E op de openbare weg in Nederland heeft gereden; belanghebbende heeft dit vermoeden niet ontzenuwd.

4.2. Op grond van de omstandigheid dat de auto was voorzien van een Belgisch kenteken acht het Hof aannemelijk dat het een niet-geregistreerde personenauto in de zin van artikel 1, lid 4, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) betrof.

4.3. Degene die een motorrijtuig feitelijk gebruikt, zal in

de regel degene zijn die de feitelijke beschikkingsmacht over dat motorrijtuig heeft (HR 18 maart 1998, BNB 1998/134).

Belanghebbende heeft niet waargemaakt dat de onderhavige auto op 16 januari 1996 - in afwijking van deze regel - niet aan

hem, doch aan een der sub 3.2 genoemde personen feitelijk ter beschikking stond.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende op

grond van artikel 1, lid 4, jo. artikel 5, lid 2, van de Wet bpm ter zake van de aanvang van het gebruik met de onderhavige Mercedes 500 E in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 bpm verschuldigd is.

De bestreden uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 25 mei 2000 door mr A. Bijlsma, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van mr C.A.F.M. Stassen, waarnemend- griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend aan partijen verzonden op: 25 mei 2000