Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6099

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01871
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 764

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01871

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, inzake het beroep van A te N tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen zijn aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING:

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 89.741,=.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 87.343,=.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van

24 maart 2000 te Roermond. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede W, namens de Inspecteur.

2. VASTSTAANDE FEITEN:

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

Op 7 maart 1995 heeft de eenheid ondernemingen te Eindhoven van de rijksbelastingdienst de aangifte betreffende de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 (hierna: IB/PH 1994) van belanghebbende ontvangen.

De definitieve aanslag IB/PH 1994 is, nadat aan belanghebbende enige vragen waren gesteld, vastgesteld op 29 april 1996 en bevat een aantal aangebrachte correcties.

Op 5 juni 1996 heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de aan hem opgelegde aanslag.

Omdat belanghebbende inmiddels was verhuisd, is het dossier van belanghebbende overgedragen aan de competente Inspecteur van de eenheid ondernemingen te Roermond van de rijksbelastingdienst.

Na enige correspondentie aangaande het bezwaarschrift, vond op 6 november 1997 een hoorzitting plaats met betrekking tot het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift.

Bij brief van 23 november 1997 heeft belanghebbende gereageerd op het hoorverslag, waarbij hij, zoals eerder in zijn brieven van 20 september en 2 november 1997, stelt dat de Inspecteur buiten de wettelijke termijn van een jaar heeft gereageerd op zijn bezwaarschrift.

Op 28 januari 1998 heeft een bespreking plaatsgehad, waarna er wederom enige correspondentie over en weer is gevolgd.

Op 30 juli 1998 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en belanghebbende heeft op 12 februari 1998 beroep ingesteld bij dit Hof.

3. HET GESCHIL, DE STANDPUNTEN EN CONCLUSIES VAN PARTIJEN:

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op grond van het overschrijden van de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak dan wel op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.2. Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur, net zoals belanghebbende zelf, zich aan de termijnen van de wet dient te houden. Nu de Inspecteur niet binnen de wettelijke termijn van een jaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan en ook geen verlenging van de termijn bij de Minister van Financiƫn heeft aangevraagd, dient de uitspraak op bezwaar volgens belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard te worden en dient de aanslag conform aangifte opgelegd te worden.

Belanghebbende is verder van mening dat hij de hele procedure niet meer serieus kan nemen, vanwege het verstrijken van de geldende termijn. De Inspecteur heeft nimmer op dit standpunt gereageerd, hetgeen belanghebbende in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur acht. Belanghebbende vindt derhalve dat zijn bezwaren tegen de aanslag alsnog dienen te worden gehonoreerd.

De Inspecteur is van mening dat noch de overschrijding van de wettelijke termijn van een jaar noch de veronderstelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ertoe kunnen leiden dat de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 72.434,=, conform zijn aangifte.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. OVERWEGINGEN OMTRENT HET GESCHIL:

4.1. In artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht staat dat het bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift van belanghebbende beslist.

Deze termijn wordt voor de Inspecteur in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verlengd tot een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift.

Het tweede lid van artikel 25 biedt de Inspecteur de mogelijkheid om met schriftelijke toestemming van de Minister de uitspraak vervolgens nog voor ten hoogste een jaar te verdagen.

4.2. Het feit dat de Inspecteur zich niet aan de onder 4.1. genoemde wettelijke bepalingen heeft gehouden, kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, omdat de wet daartoe geen mogelijkheid biedt.

Afgezien van de in artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde mogelijkheid tot het instellen van beroep door belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verbindt de wet geen consequenties aan de overschrijding van de termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar door de Inspecteur.

4.3. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de Inspecteur. De uitspraak op bezwaar moet

worden bevestigd.

DE PROCESKOSTEN:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, zoals bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

DE BESLISSING:

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus vastgesteld op 4 mei 2000 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 4 mei 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.