Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6012

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/02931
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/394 met annotatie van Ligthart
V-N 2000/26.10

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 94/02931

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V., gevestigd te Y, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1991.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f 11,--, met een verhoging van de verschuldigde belasting wegens desinvesteringsbetalingen van f 1,--.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van bestreden uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 8 april 1998. Daar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende ter zitting afschriften van zes notariële akten overgelegd.

Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2 , en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkomstige toepassing heeft gevonden.

De tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 10 november 1999. Daar zijn toen verschenen en gehoord, gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter tweede zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. De aandelen van belanghebbende, voorheen genaamd XX B.V., worden voor elk éénderde deel gehouden door haar beide directeuren B en C. Voorts houden de persoonlijke houdstermaatschappijen van de beide directeuren elk éénzesde deel van de aandelen van belanghebbende.

2.2. Belanghebbende heeft zich bij brief van 11 november 1991 tot het Ministerie van Financiën gewend met het verzoek om op de voet van art. 14, tweede lid, Wet vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1991) (verder: de Wet) onder door de Minister van Financiën te stellen voorwaarden goed te keuren dat voor de heffing van vennootschapsbelasting buiten aanmerking zou blijven de winst behaald bij de voorgenomen overdracht van haar gehele onderneming.

2.3. Volgens het in onderdeel 2.2. bedoelde verzoek zou de overdracht van de onderneming van belanghebbende plaatsvinden aan een nieuw op te richten vennootschap, X O G B.V. (uiteindelijk genaamd X Registergoed B.V., met welke naam deze vennootschap verder zal worden aangeduid), tegen uitreiking van 7 % cumulatief preferente aandelen. Daarnaast zouden de persoonlijke houdstermaatschappijen van beide directeuren middels gewone aandelen in X Registergoed B.V. participeren. Na een naamswijziging van belanghebbende zou laatstgenoemde vennootschap vervolgens haar onderneming tegen uitreiking van aandelen inbrengen in een nieuw op te richten vennootschap genaamd XX B.V.

2.4. Naar aanleiding van het verzoek is door een ambtenaar van het Ministerie van Financiën op 10 februari 1992 getelefoneerd met de gemachtigde van belanghebbende. Tijdens dit telefoongesprek heeft deze ambtenaar te kennen gegeven dat de plaatsing van aandelen X Registergoed B.V. bij de persoonlijke houdstermaatschappijen van de beide directeuren tot gevolg heeft dat inwilliging van het verzoek niet zonder meer mogelijk is, gezien het beleid neergelegd in de aanschrijving van 12 oktober 1987, BNB 1987/316. De ambtenaar heeft tijdens dit telefoongesprek de gemachtigde gevraagd aan te tonen dat een zakelijk belang aanwezig is. De gemachtigde van zijn kant heeft tijdens dit telefoongesprek aan de ambtenaar gevraagd binnen welke termijn na de reorganisatie aandelen van X Registergoed B.V. geplaatst zouden kunnen worden bij de persoonlijke houdstermaatschappijen van de directeuren. Daarop heeft de ambtenaar medegedeeld dat een eenduidig antwoord op die vraag niet mogelijk is.

2.5. Naar aanleiding van voormeld telefoongesprek heeft belanghebbende bij brief van 10 februari 1992 aan het Ministerie het verzoek gewijzigd in die zin dat de in het oorspronkelijke voorstel neergelegde participatie door de persoonlijke houdstermaatschappijen in X Registergoed B.V. werd geschrapt.

2.6. Bij beschikking van 6 maart 1992 heeft de Staatssecretaris van Financiën het gewijzigd verzoek ingewilligd onder de gebruikelijke voorwaarden. Bij brief van 15 april 1992 aan de Inspecteur hebben belanghebbende en X Registergoed B.V. zich accoord verklaard met de in de beschikking gestelde voorwaarden.

2.7. Op 31 maart 1992 heeft belanghebbende haar onderneming overgedragen aan X Registergoed B.V. tegen uitreiking van 7% cumulatief preferente aandelen. X Registergoed B.V. is bij notariële akte van diezelfde datum opgericht en heeft op die datum geen andere aandelen geplaatst dan de hiervoor genoemde 7% cumulatief preferente aandelen.

2.8. Blijkens een notariële akte van 14 juli 1992 zijn op die datum door X Registergoed B.V. zowel 7% cumulatief preferente aandelen als gewone aandelen uitgegeven aan de meergenoemde persoonlijke houdstermaatschappijen.

2.9. In het kader van de regeling van de aanslag van belanghebbende voor het jaar 1991 is de Inspecteur op de hoogte geraakt van de plaatsing van aandelen bij de persoonlijke houdstermaatschappijen. Op 22 juni 1993 heeft de Inspecteur het Ministerie in kennis gesteld van deze plaatsing. Daarop heeft de Staatssecretaris van Financiën belanghebbende bij brief van 25 augustus 1993 het volgende medegedeeld:

"De Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P heeft mij echter medegedeeld dat hem is gebleken dat op 14 juli 1992 toch (gewone en cumulatief preferente) aandelen van de overnemer zijn uitgegeven aan aandeelhouders van de overdrager. Aangezien hierdoor een belangrijk uitgangspunt waarop mijn hiervoor aangehaalde beschikking was gebaseerd is vervallen en voor u duidelijk moet zijn geweest dat onder deze omstandigheden vorenbedoelde beschikking niet door mij zou zijn afgegeven is aan deze beschikking de grondslag ontvallen.

Hieruit volgt dat artikel 14, tweede lid, van de wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat luidde vóór het in werking treden van de Wet van 10 september 1992 (Stb. 491), niet kan worden toegepast op de overdracht door XX B.V. van haar onderneming aan X Registergoed B.V."

2.10. De aanslag, gedagtekend 29 april 1994, wordt opgelegd zonder toepassing van de fusiefaciliteit.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de fusiefaciliteit van artikel 14, tweede lid, van de Wet terecht door de Inspecteur buiten toepassing is gelaten bij de aanslagregeling. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van f 5,--, zonder desinvesteringsbetalingen.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Wet kan de Minister van Financiën onder door hem nader te stellen voorwaarden goedkeuren dat voor de heffing van vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft de winst behaald met of bij de overdracht van een onderneming buiten het kader van een fusie. Deze voorwaarden mogen op grond van het bepaalde in het vierde lid van het zojuist genoemde artikel 14 slechts strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de belasting, welke verschuldigd zou zijn of zou worden ingeval het tweede lid buiten toepassing zou blijven.

4.2.1. Noch in voornoemde wetsbepaling, noch elders in de wet is voorzien in de mogelijkheid van intrekking of herziening van de zojuist bedoelde goedkeuring. Evenmin voorziet de wet erin dat de inspecteur de aanslag regelt in afwijking van een door de Minister verleende goedkeuring.

4.2.2. Nu aan belanghebbende de evenbedoelde goedkeuring is verleend komt haar derhalve de faciliteit toe en komt geen betekenis toe aan de in de brief van 25 augustus 1993 door de Staatssecretaris van Financiën gedane mededeling.

4.2.3. Het voorgaande had anders gelegen indien na verlening van de goedkeuring feiten aan het licht zouden zijn gekomen die de Minister niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend hadden kunnen zijn en op grond waarvan het verzoek zou moeten worden afgewezen, of indien door de indiener van het verzoek opzettelijk onjuiste informatie zou zijn verstrekt of juiste informatie zou zijn verzwegen. Dat er door belanghebbende opzettelijk onjuiste informatie zou zijn verstrekt of dat door belanghebbende opzettelijk de juiste informatie zou zijn verzwegen is gesteld noch gebleken. Voorts kan de uitgifte van aandelen aan de persoonlijke houdstermaatschappijen van de beide directeuren niet als een nieuw feit in de hiervoor bedoelde zin gelden, aangezien de Minister naar aanleiding van het aanvankelijk ingediende verzoek en het telefoongesprek van 10 februari 1992 redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat belanghebbende voornemens was om enige tijd na de overdracht van de onderneming aandelen bij de zojuist genoemde houdstermaatschappijen te plaatsen.

4.3. Het gelijk is derhalve reeds op grond van de in 4.2. genoemde gronden aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van f 5,--, zonder desinvesteringsbetalingen.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 3 punten maal f 710,-- maal wegingsfactor 2 ofwel f 4.260,--.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, en vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van f 5,--, zonder verhoging van de verschuldigde belasting wegens desinvesteringsbetalingen, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van f 75,--, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van f 4.260,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op: 17 februari 2000 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, R.J. Koopman en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 17 februari 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.