Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6011

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/01287
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/494 met annotatie van Perié

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 94/01287

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Expediteur J B.V. te X tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid douane te Y van de rijksbelastingdienst (de destijds te dezen bevoegde inspecteur; hierna, evenals het nadien te dezen bevoegd geworden Hoofd van de eenheid douane te Z van de rijksbelastingdienst, aan te duiden als: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar op 8 september 1993 uitgereikte uitnodiging tot betaling van onder meer omzetbelasting, nummer 000.0.0.00..0000.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde uitnodiging tot betaling is uitgereikt tot een bedrag van fl. 50.988,= aan invoerrecht en fl. 76.957,80 aan omzetbelasting en is na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar door de Inspecteur bij uitspraak van 21 februari 1994 gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak, voorzover deze betrekking heeft op de in de uitnodiging tot betaling begrepen omzetbelasting, in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 10 maart 1998. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende mevrouw mr. G, verbonden aan G, Advocaten - Belastingkundigen te A, vergezeld van belanghebbendes directeur de heer R., alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. K..

Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft te dezer zitting verklaard tegen overlegging van de bij de pleitnota van belanghebbende behorende bijlagen geen bezwaar te hebben. Partijen hebben er te dezer zitting mee ingestemd om na te melden uitspraak van de Tariefcommissie van 31 oktober 1996, nr. 13337, tot de stukken van het geding te rekenen.

Tot de stukken van het geding behoort voorts de na voormelde mondelinge behandeling op de voet van artikel 14, eerste lid, onder 2°, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken met partijen gevoerde briefwisseling, waarbij het bepaalde in artikel 16 van deze wet is nageleefd.

De zaak is vervolgens opnieuw mondeling behandeld in raadkamer ter zitting van het Hof van 27 april 1999. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw mr. G voornoemd, als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van de heer A. , alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. K.

Bij de aanvang van deze zitting heeft de Voorzitter in verband met een wijziging in de samenstelling van de Kamer een samenvatting gegeven van het verhandelde ter eerste zitting. Beide partijen hebben uitdrukkelijk verklaard dat deze samenvatting zowel juist als volledig was.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben ook te dezer zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent ook deze pleitnota’s tot de stukken van het geding. Belanghebbende heeft, zonder bezwaar van de Inspecteur, bij haar pleitnota een tweetal bijlagen overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de gedingstukken en de deels daarvan afwijkende verklaringen van partijen op de beide zittingen staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is douane-expediteur. Op 21 februari 1992 heeft zij aangifte gedaan voor het vervoer met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer van 58 cartons elektronisch geïntegreerde schakelingen en micro-assemblages, bestaande uit 1.140 stuks zogenoemde moederborden en 956 stuks zogenoemde CPU’s (hierna ook: de aangifte). Ingevolge de aangifte zouden deze goederen - per auto - worden vervoerd van Nederland naar P in Italië. Ambtenaren van de Belastingdienst/Douanepost Eindhoven hebben op de aangifte ten name van belanghebbende, onder nummer 0000, een document T1, gedagtekend 21 februari 1992, afgegeven.

2.2. De opdracht tot het doen van de vorenvermelde aangifte is aan belanghebbende gegeven door de beheerder van het fictief entrepot met administratieve controle (hierna: Femac) waar de goederen waren opgeslagen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid L B.V. te V .. L B.V. handelde daarbij voor de eigenaar van vorenvermelde moederborden en CPU’s, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid F B.V. .

2.3. Bij aankomst op het kantoor van bestemming in Italië werd door de douane aldaar bij opening van het - met een hangslot van de vervoerder afgesloten - vervoermiddel, geconstateerd dat 836 van de 956 CPU’s ontbraken, hoewel het aantal vrachtstukken, conform het T1 document, 58 cartons bedroeg, welke alle waren verzegeld met plakband en geen sporen vertoonden van malversatie. Het Hoofd van de douane te P heeft deze bevindingen bij brief van 2 maart 1992, met bijlagen, gerapporteerd aan de Belastingdienst/ Douanepost Eindhoven.

2.4. Bij brief van 1 juli 1992 heeft de Belastingdienst/Douanepost Eindhoven aan belanghebbende medegedeeld dat het onder 2.1 genoemde document slechts was voorzien van de vereiste aftekeningen en verklaringen voor een gedeelte van de daarin vermelde goederen. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen één maand alsnog aan te tonen dat de ontbrekende goederen desalniettemin hun in het document vermelde bestemming hebben gevolgd dan wel teloor zijn gegaan. Belanghebbende is hierin niet geslaagd. Zulks was voor de Inspecteur aanleiding om belanghebbende ter zake van de onderhavige zending op 8 september 1993 een mededeling van niet-zuivering van het T1 document te zenden en de onderhavige uitnodiging tot betaling aan belanghebbende uit te reiken.

2.5. Bij zijn controleonderzoek op 17 juni 1993 bij L B.V. heeft de Inspecteur vastgesteld dat alle goederen, vermeld in het T1 document, (administratief) zijn uitgeslagen uit het Femac.

2.6. Ter tweede zitting is tussen partijen komen vast te staan dat de onder 2.3 bedoelde ontbrekende 836 CPU’s (hierna: de 836 CPU’s) nimmer in de auto waarmede het communautaire douanevervoer zou plaatsvinden, zijn geladen.

2.7. Naar het eensluidend oordeel van partijen is belanghebbende op generlei wijze betrokken geweest bij het inladen of achterhouden van op de aangifte vermelde moederborden en CPU’s. Belanghebbende was niet op de hoogte van de omstandigheid dat de 836 CPU’s niet zijn geladen.

2.8. Vaststaat dat de 836 CPU’s na het opmaken van het T1 document niet meer in de Femac-administratie van L B.V. zijn opgenomen. Volgens belanghebbende zijn deze CPU's nadien op regelmatige wijze naar Tsjechië uitgevoerd, de Inspecteur betwist zulks.

2.9. Ten aanzien van de heffing van het in de onderhavige uitnodiging tot betaling begrepen bedrag aan invoerrecht ad fl. 50.988,= heeft belanghebbende, na afwijzing van haar bezwaarschrift door de Inspecteur, beroep ingesteld bij de Tariefcommissie. Bij uitspraak van 31 oktober 1996, nr. 13337, heeft de Tariefcommissie de uitspraak van de Inspecteur, voor zover deze het invoerrecht betreft, vernietigd en heeft zij het bedrag aan douanerechten van de uitnodiging tot betaling nader vastgesteld op fl. 50.106,85.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de onderhavige uitnodiging tot betaling van omzetbelasting is uitgereikt.

Belanghebbende is van mening dat de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting ten onrechte is gedaan. Nadat zij ter zitting van 27 april 1999 uitdrukkelijk heeft verklaard de in de motivering van het beroepschrift van 30 mei 1994 vermelde eerste twee grieven te laten varen, voert zij daartoe, naar het Hof begrijpt, primair aan dat op 21 februari 1992 geen invoer in de zin van artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1992; hierna: de Wet) heeft plaatsgevonden. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door geen uitnodiging tot betaling van omzetbelasting uit te reiken aan F B.V.. Meer subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat geen omzetbelasting is verschuldigd omdat de 836 CPU's nadien op regelmatige wijze zijn uitgevoerd naar Tsjechië.

De Inspecteur, daarentegen, meent dat hij terecht een uitnodiging tot betaling van omzetbelasting aan belanghebbende heeft uitgereikt. Wel is de Inspecteur van oordeel dat de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting tot een te hoog bedrag is gedaan en moet worden verminderd tot een naar een bedrag van fl. 75.630,40.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door hen op de beide zittingen voorgedragen en overgelegde pleitnota’s, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Op de zittingen van 10 maart 1998 respectievelijk 27 april 1999 hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

Het beroepschrift tegen de 21 februari 1994 gedagtekende uitspraak op bezwaar is op 31 maart 1994 aangetekend per post aan het Hof verzonden, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedoelde termijn, van welke termijn 4 april 1994 de laatste dag was.

De gang van zaken bij de onderhavige zending was als volgt. Belanghebbende ontving van L B.V. de door F B.V. opgestelde factuur ter zake van de levering van de goederen. Aan de hand daarvan is het T1 document opgemaakt, waarna het bij de douane is ingediend en is voorzien van een stempel. Inmiddels was de vrachtwagen op het terrein van L B.V. geladen. De chauffeur van de vrachtwagen heeft het aantal cartons geteld, doch heeft de inhoud daarvan niet gecontroleerd. Ook de douane heeft bij het inladen niet gecontroleerd of de goederen als vermeld op het T1 document daadwerkelijk alle ingeladen waren. De 836 CPU's zijn nooit geladen. Het vermoeden bestaat dat L B.V. in opdracht van F B.V. de 836 CPU’s heeft achtergehouden.

F B.V. beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 23 van de Wet.

Meer bewijs dat de 836 CPU's later op regelmatige wijze naar Tsjechië zijn uitgevoerd, kan niet worden bijgebracht.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.2.2. De Inspecteur

Het T1 document heeft twee functies. In de eerste plaats is het een vervoersdocument. Daarnaast dient het ten bewijze van uitslag. Nadat vanuit Italië het bericht was binnengekomen dat een deel van de goederen niet op het kantoor van bestemming was aangekomen, is getracht te reconstrueren wat er gebeurd zou kunnen zijn. Bij het controleonderzoek bij L B.V. is gebleken dat de bij aankomst in Italië ontbrekende CPU’s in de administratie van het Femac waren uitgeslagen middels het T1 document.

De bij kennisgeving van 8 september 1993 aan belanghebbende in het vooruitzicht gestelde administratieve boete van fl. 200,= is nimmer op de voet van het bepaalde in artikel 143, tweede lid, van de toenmalige Algemene wet inzake de douane en de accijnzen (hierna: de AWDA) vastgesteld. In zoverre mist het beroep feitelijke grondslag.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover deze de omzetbelasting betreft en, primair, tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling voor zover deze de omzetbelasting betreft en, subsidiair, tot vermindering van het bedrag aan omzetbelasting van de uitnodiging tot betaling tot fl. 75.630,=. De Inspecteur concludeert, behoudens een afrondingsverschil, conform belanghebbendes subsidiaire conclusie.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof hecht geloof aan de onder 3.2.1 vermelde, door de Inspecteur niet weersproken, verklaring van belanghebbende dat zij het beroepschrift op 31 maart 1994, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn, ter post heeft bezorgd. Het beroepschrift is bij het Hof binnengekomen op 5 april 1994. Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, is het beroepschrift mitsdien tijdig ingediend. Belanghebbende is derhalve ontvankelijk in haar beroep.

4.2. Ingevolge artikel 18 van de Wet moet - voor zover te dezen van belang - onder invoer van goederen worden verstaan het brengen van goederen in het vrije verkeer. Gelet op het bepaalde in artikel 7 van de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, nummer 77/388/EEG (tekst 1992; hierna: de Zesde richtlijn) moet het er voor worden gehouden dat het belastbare feit zich hier te lande uitsluitend voordoet indien goederen in Nederland in het vrije verkeer worden gebracht.

4.3. Uit de tekst van de onder 4.2 vermelde bepalingen vloeit voort dat van invoer in de zin van de omzetbelasting slechts sprake is indien goederen fysiek in het vrije verkeer worden gebracht. Steun voor dit oordeel vindt het Hof in de jurisprudentie van de Hoge Raad. In dit verband wijst het Hof op bijvoorbeeld de arresten van 2 oktober 1996, nr. 30 954 (BNB 1997/3*) en van 24 augustus 1999, nummers 34 410 en 34 694 (BNB 1999/418* en 419*).

4.4. Uit de onder 2.2 tot en met 2.8 vermelde feiten leidt het Hof af dat zich met betrekking tot de 836 CPU’s een onregelmatigheid heeft voorgedaan voordat zij onder de regeling voor extern communautair douanevervoer konden worden gebracht. Het staat tussen partijen immers vast dat de 836 CPU’s (fysiek) nimmer in de auto zijn geladen waarmede het communautaire douanevervoer zou plaatsvinden.

4.5. De vorenbedoelde onregelmatigheid bestaat naar het oordeel van het Hof uit het onttrekken van de 836 CPU’s aan het entrepotregime waaronder zij waren gebracht. Dat oordeel voert tot de slotsom dat de 836 CPU’s door de onttrekking aan het entrepotregime in het vrije verkeer zijn gebracht als bedoeld in artikel 18 van de Wet. De 836 CPU’s zijn dan ook in de zin van de omzetbelasting ingevoerd door onttrekking aan het entrepotregime. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat, gelijk onder 4.3 overwogen, voor het begrip invoer in de zin van de omzetbelasting moet worden aangesloten bij het (fysieke) in het vrije verkeer brengen van goederen en niet zozeer bij administratieve bescheiden, hoezeer deze onder omstandigheden ook als bewijsmiddel kunnen dienen. Aan vorenvermeld oordeel doet dan ook niet af dat de 836 CPU’s door het opmaken en in de administratie van het Femac opnemen van het T1 document, administratief uit het Femac waren uitgeslagen en onder de regeling voor extern communautair douanevervoer waren gebracht.

4.6. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Zesde richtlijn is de omzetbelasting ter zake van de invoer van goederen verschuldigd door degene(n) die als zodanig door de Lid-Staat van invoer wordt of worden aangewezen of erkend. De Nederlandse wetgeving voorziet niet in een dergelijke aanwijzing of erkenning. Gelet op de onder 4.3 vermelde arresten van de Hoge Raad van 24 augustus 1999 moet het er evenwel voor worden gehouden dat de in de Zesde richtlijn bedoelde aanwijzing in Nederland impliciet via artikel 22 van de Wet is geschied. Ingevolge deze bepaling was ter zake van de omzetbelasting bij invoer de AWDA van overeenkomstige toepassing. De bepalingen in de AWDA omtrent verschuldigdheid bij een onregelmatige uitslag uit entrepot, zoals zich in casu heeft voorgedaan, voorzagen niet in een verschuldigdheid van een ander dan degene(n) die bij de onregelmatigheid betrokken is (zijn) geweest, dan wel van de beheerder van het entrepot. Nu niet belanghebbende, doch L B.V. beheerder van het Femac was en vaststaat dat belanghebbende op geen enkele wijze betrokken is geweest bij enige handelingen die ertoe hebben geleid dat de 836 CPU’s aan het Femac zijn onttrokken, is de omzetbelasting ter zake van de invoer van de 836 CPU’s niet door belanghebbende verschuldigd. De onderhavige uitnodiging tot betaling van omzetbelasting is mitsdien ten onrechte aan belanghebbende gedaan.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Haar overige stellingen behoeven derhalve geen behandeling meer.

5. Proceskosten en griffierecht

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures op 3 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 4.260,= voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende, op de voet van artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= te vergoeden.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt zowel de bestreden uitspraak als de uitnodiging tot betaling, beiden voor zover deze de omzetbelasting betreffen;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van

fl. 4.260,= en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

- gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad

fl. 75,= wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 31 januari 2000 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en A.L.C. Simons, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 29 februari 2000