Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21311
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/304
V-N 2000/26.3

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/21311

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X en Y (hierna: belanghebbende), met gekozen domicilie te Z, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.K.0000 en met dagtekening 8 juli 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 ten bedrage van fl. 48.784,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging.

Na daartegen door belanghebbende tijdig gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de thans bestreden, 19 september 1997 gedagtekende uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak tijdig en regelmatig in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

Na verkregen toestemming van de Voorzitter heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft daarop gereageerd met een conclusie van dupliek.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 3 november 1999 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mr. A, verbonden aan Accountants & Adviseurs te Z, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de mr. D, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting een pleitnota aan het Hof gezonden, waarvan de Griffier een afschrift aan de wederpartij heeft gezonden. In aanvulling op deze pleitnota heeft belanghebbende ter zitting een overzicht van de beschikbare gegevens met betrekking tot de verhuurperioden van de na te melden bungalow overgelegd. Zonder bezwaar van de Inspecteur heeft belanghebbende bij zijn pleitnota kopieën van een faxbericht van L BV d.d. 4 augustus 1999 en een brief van Bungalowpark L d.d. 8 augustus 1996 overgelegd. Het Hof rekent alle vorengenoemde stukken, waaronder met name ook belanghebbendes pleitnota, tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende heeft bij onderhandse akte van 9 april 1993 een zogeheten koop-/aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot een in het Bungalowpark “L” te U gelegen perceel bouwgrond. Ingevolge deze overeenkomst is op dit perceel voor rekening van belanghebbende een bungalow gebouwd.

Bij aangiften over het tweede tot en met het vierde kwartaal van het jaar 1993, het eerste tot en met het vierde kwartaal van het jaar 1994 en het jaar 1995 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van de hem in die tijdvakken ter zake van de bouw, de inrichting en de exploitatie van deze bungalow in rekening gebrachte omzetbelasting.

De Inspecteur heeft belanghebbende naar aanleiding van deze verzoeken teruggaaf van omzetbelasting verleend tot een bedrag van in totaal fl. 48.784,=.

Bij de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur evenvermeld bedrag van fl. 48.784,= van belanghebbende nageheven.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

De Inspecteur heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de bij de onderhavige naheffingsaanslag nageheven belasting uitsluitend betrekking heeft op de jaren 1993, 1994 en 1995. In verband hiermede is het op het aanslagbiljet vermelde tijdvak van naheffing, te weten het jaar 1996, onjuist. Gelijk de Hoge Raad in zijn arrest van 22 mei 1991, BNB 1991/209, heeft geoordeeld maakt het op een aanslag vermelde tijdvak van heffing een zo essentieel onderdeel daarvan uit, dat niet kan worden toegestaan dat belasting verschuldigd wegens feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de aanslag worden begrepen. Dit is volgens eerdervermeld arrest anders indien de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van heffing op een duidelijke, ook voor de belastingplichtige kenbare, vergissing berust, doch hiervan is naar het oordeel van het Hof in casu geen sprake. Niet valt immers uit te sluiten dat de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag inderdaad meende dat de onderhavige belasting over het tijdvak 1996 kon worden nageheven.

Gelet op het vorenstaande dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Het beroep is gegrond. Hierin vindt het Hof aanleiding belanghebbende in aanmerking te brengen voor vergoeding van proceskosten. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze uitsluitend bestaan uit kosten van hem in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde verleende rechtskundige bijstand en heeft vervolgens aanspraak gemaakt op vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte kosten, omdat sprake zou zijn van schending van het gemeenschapsrecht, doch het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen nu de naheffingsaanslag wordt vernietigd op de onder 4 vermelde grond. Het Hof past derhalve het Besluit proceskosten fiscale procedures toe, hetgeen leidt tot de volgende berekening: 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is fl. 2.662,50.

5.2. De omstandigheid dat het beroep gegrond is, brengt met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= dient te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de daarbij

gehandhaafde naheffingsaanslag;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van

belanghebbende tot een bedrag van fl. 2.662,50 onder

aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechts-

persoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het

door deze betaalde griffierecht ad fl. 80,= wordt

vergoed.

Aldus vastgesteld op 9 februari 2000 door J.A. Meijer, voorzitter, G.J. van Muijen en M.E. van Hilten, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 9 februari 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep

in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.