Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5990

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/00907
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/00907

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift tegen de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 15 december 1999 te ’s-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van B, alsmede, namens de Inspecteur, C, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 29 december 1999, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden:

(1) Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van belanghebbendes verklaring ter zitting dat het beroepschrift nog op vrijdag 4 april 1997 in de brievenbus van het Hof is gedeponeerd en gaat derhalve van de juistheid van deze verklaring uit. Belanghebbende is mitsdien ontvankelijk in zijn beroep.

(2) Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat voor zover hij verliezen op aandelen heeft geleden, deze verliezen rechtstreeks voortvloeiden uit de door hem gesloten optiecontracten en dat deze verliezen derhalve geen zelfstandige betekenis hebben.

(3) Vaststaat dat belanghebbende in firmaverband een onderneming drijft welke zich bezighoudt met het exploiteren van groepsaccommodaties. Naar het oordeel van het Hof is het investeren in opties op zichzelf bezien vreemd aan een dergelijke onderneming. Dit brengt met zich dat het door belanghebbende investeren in opties niet heeft plaatsgevonden in het kader van de normale uitoefening van deze onderneming, tenzij dit investeren kan worden aangemerkt als het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de aldus belegde middelen tijdig weer in belanghebbendes onderneming beschikbaar zullen zijn.

Ook indien veronderstellenderwijze met belanghebbende wordt aangenomen dat in casu sprake was van tijdelijk overtollige liquide middelen, is niet aan de vorenbedoelde uitzondering voldaan nu gelet op de aan het investeren in opties - naar het Hof op grond van een aan zijn kennis van in het dagelijks leven voorkomende gebeurtenissen ontleende ervaringsregel van oordeel is - inherente risico’s niet redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de desbetreffende middelen tijdig weer in belanghebbendes onderneming beschikbaar zouden zijn.

Verwezen zij naar het arrest van de Hoge Raad van 15 september 1999, BNB 1999/406*.

(4) Gelet op hetgeen onder (2) is vermeld en onder (3) is overwogen, is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

(5) Nu het beroep ongegrond is en bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

(6) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 29 december 1999 door J.A. Meijer, voor-zitter, R.J. Koopman en A.C. van Leijenhorst, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 januari 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende fl. 150,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van fl. 150,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.