Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5988

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/00694
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21190
V-N 2000/16.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Belastingkamer

Nr. 97/00694

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van drie van de vier erfgenamen van de heer X, laatstelijk gewoond hebbende te Y, overleden op 00-00-1995, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid registratie en successie te ’s-Hertogenbosch, vestiging Roermond, van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift betreffende de hun opgelegde aanslagen in het recht van successie verschuldigd over hun verkrijgingen uit de nalatenschap van erflater, welke aanslagen zijn opgenomen in één aanslagbiljet, aanslagnummer 1111, jaar 1995, successie nr.0000

1. Ontstaan en loop van het geding

Vorenbedoelde drie aanslagen zijn elk opgelegd naar een verkrijging van fl. 30.000,-.

Na tijdig daartegen door belanghebbenden gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslagen gehandhaafd. Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak tijdig en regelmatig in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbenden een recht geheven van fl. 75,=. De Inspecteur heeft het beroepschrift bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 16 september 1999 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. XY, notaris te N, als gemachtigde van belanghebbenden, en namens de Inspecteur mevrouw mr. Z.

Belanghebbenden hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Op 00-00-1995 is overleden de heer X, geboren op

00-00-1940 (hierna: erflater), echtgenoot van mevrouw YX (hierna: de echtgenote) met wie hij, blijkens akte van 00-00-1993 onder huwelijkse voorwaarden, in voor hem tweede echt was gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

2.2. Uit erflaters eerste huwelijk, welk huwelijk omstreeks 1990 door echtscheiding is ontbonden, zijn de navolgende drie kinderen geboren en in leven:

- de heer XZ, geboren 1964,

- de heer XY, geboren 1965 en

- mevrouw XB, geboren 1967.

(hierna: de kinderen.)

2.3. De erfgenamen van erflater zijn zijn echtgenote en de kinderen, ieder voor ¼ gedeelte.

2.4. Erflater heeft bij zijn door zijn overlijden onherroepelijk geworden testament van 12 november 1993, zakelijk weergegeven, voor zover te dezen van belang, het volgende bepaald.

1. Alle vroeger door erflater, in welke vorm ook, gemaakte uiterste wilsbeschikkingen worden herroepen.

2. Aan de echtgenote wordt, mede ter voldoening aan erflaters zorgplicht jegens haar, het vruchtgebruik gelegateerd van na te melden vorderingen wegens overbedeling, ingaande op de dag van zijn overlijden en eindigende op de dag van het overlijden van de echtgenote.

3. Ten aanzien van erflaters nalatenschap wordt een ouderlijke boedelverdeling gemaakt waarbij met betrekking tot de hieruit voortvloeiende vorderingen wegens overbedeling van de kinderen op de echtgenote (hierna: de vorderingen) het volgende is bepaald:

a. aan ieder van de kinderen komt toe een vordering op de echtgenote in contanten ter grootte van het erfdeel, berekend in het saldo van de nalatenschap,

b. de vorderingen zijn te allen tijde aflosbaar en opeisbaar,

c. de echtgenote is verplicht aan de kinderen over de vorderingen, na aftrek van de door hen verschuldigde successierechten en hun aandeel in de taxatie- en boedelkosten, een rente te betalen van 6% per jaar, ingaande op de dag van zijn overlijden, te voldoen jaarlijks op

31 december, voor het eerst op 31 december 1996.

4. De echtgenote wordt benoemd tot uitvoerster van zijn uiterste wilsbeschikkingen

5. De onder punt 2 genoemde zorgplicht (hierna: de zorgplicht) strekt ter voldoening aan de natuurlijke verbintenis om naar de mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van de echtgenote.

2.5 De Inspecteur heeft niet betwist dat het vruchtgebruik van de vorderingen vanaf het overlijden van erflater tot aan het overlijden van de echtgenote nodig was om erflater aan de zorgplicht jegens de echtgenote te laten voldoen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Moet bij de waardering van de vorderingen rekening worden gehouden met het, ter voldoening aan de zorgplicht van erflater jegens de echtgenote, gelegateerde vruchtgebruik?

II. Indien vraag I ontkennend moet worden beantwoordt, dient dan de rente van 6% herrekend te worden naar een samengestelde interest en de waarde van vorenbedoelde vordering van ieder van de kinderen wegens overbedeling mitsdien op een lager bedrag gesteld te worden dan fl. 30.000,= en wel op fl. 22.222,=.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door hem ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

3.2.1. Belanghebbende en de Inspecteur

Over de cijfers op zich beschouwd bestaat geen verschil van mening.

Ter vaststelling van de grootte van de onder II bedoelde vordering zullen zij het Hof een gezamenlijke berekening zenden.

3.2.2. Belanghebbenden

Het bedrag van fl. yyy,=, als vermeld op bladzijde 2 van hun pleitnota, is het bedrag van de waarde van het blote eigendom van de vorenbedoelde vordering wegens overbedeling.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel laten zij varen.

3.2.3. De Inspecteur

Het testament is duidelijk. Aan uitleg daarvan wordt mitsdien niet toegekomen.

Eerst wordt het vruchtgebruik gelegateerd en vervolgens wordt bepaald dat de vorderingen te allen tijde opeisbaar en aflosbaar zijn.

De scheiding en verdeling op grond van de ouderlijke boedelverdeling gaat in op het moment van het overlijden. Dan zijn de vorderingen volgens het testament opeisbaar en aflosbaar.

De directe opeisbaarheid gaat vóór het vruchtgebruik.

3.3. Na de zitting hebben partijen , blijkens een door hen aan het Hof op 21 oktober 1999 toegezonden gezamenlijke berekening, als ter zitting toegezegd, voor het geval het Hof

vraag II bevestigend beantwoordt, de vordering wegens overbedeling van ieder van de kinderen berekend op fl. 22.222,=.

3.4. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag van ieder der vorenbedoelde erfgenamen tot een naar een verkrijging van fl. xxx,= . Subsidiair concludeert belanghebbende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van elk van de in geschil zijnde aanslagen tot een naar een verkrijging van fl. 22.222,=. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De ouderlijke boedelverdeling, als in het testament beschreven, ging in, zoals uit het arrest van de Hoge Raad van 9 september 1989, NJ 1989/239, volgt, op het moment van het overlijden van erflater. Dat brengt met zich, zoals de Inspecteur aanvoert, dat op het moment van het overlijden van erflater op grond van de ouderlijke boedelverdeling de kinderen op de echtgenote een direct opeisbare en aflosbare vordering hebben als in het testament vermeld.

4.2. Het testament vermeldt echter ook het ter voldoening aan de zorgplicht gelegateerde vruchtgebruik van de vorderingen.

4.3. Het is duidelijk dat, indien geen rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik maar wel met de directe opeisbaarheid, niet wordt voldaan aan erflaters in zijn testament tot uitdrukking gebrachte natuurlijke verbintenis om naar de mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van de echtgenote.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het testament uitlegging behoeft.

4.5. Volgens overweging 4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 19 september 1990, nr. 26.450, BNB 1990/328, voor zover te dezen van belang, is in de regel de inspecteur gebonden aan de uitlegging die de bij de uitvoering van de wilsbeschikking betrokken partijen aan het testament geven indien dat testament uitlegging behoeft. Het Hof vindt geen aanleiding om in casu hiervan af te wijken.

4.6. De echtgenote is bij het testament aangewezen als executeur-testamentair. Als zodanig is zij de vertegenwoordigster van de erfgenamen krachtens opdracht van erflater, wiens wil zij heeft uit te voeren onafhankelijk van de wil der erfgenamen -afgezien van het zich in casu niet voordoende geval van een beroep op de legitieme- waarbij de erfgenamen als daarbij vertegenwoordigden door die uitvoering worden gebonden. Naar de opvatting van de echtgenote dient aan het testament uitvoering te worden gegeven in overeenstemming met al hetgeen daarin staat vermeld.

4.7.Gelet op de verhoudingen die het testament wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, zoals het tweede huwelijk van de erflater, de aanwezigheid van kinderen uit het eerste huwelijk alsmede de in het testament vermelde zorgplicht van erflater jegens de echtgenote, is het alleszins begrijpelijk dat belanghebbenden van oordeel zijn dat het de bedoeling van erflater was dat het ter voldoening aan die zorgplicht gelegateerde vruchtgebruik zou bestaan vanaf de dag van zijn overlijden tot aan de dag van het overlijden van de vruchtgebruikster en dat mitsdien gedurende die periode het vruchtgebruik is gevestigd op de vorderingen, derhalve de opeisbaarheid daarvan komt te vervallen en de rente daarover de vruchtgebruikster toekomt.

4.8. Ten overvloede merkt het Hof nog het volgende op. Indien het testament zodanig zou moeten worden uitgelegd dat de al dan niet opeisbaarheid van de vorderingen en de rente geen deel uitmaken van de boedelverdeling, dan staat bij de door het overlijden en op het moment van het overlijden van erflater totstandgekomen ouderlijke boedelverdeling de al dan niet opeisbaarheid van de vorderingen en het al dan niet verschuldigd zijn van de rente over de vorderingen nog niet vast, doch dient hiertoe de overige onderdelen van het testament in aanmerking te worden genomen. Gelet op hetgeen in 2.5 is overwogen, en in aanmerking nemende genoemde zorgplicht, is ter voldoening hieraan het vruchtgebruik voor de echtgenote nodig vanaf het moment van overlijden van erflater tot aan haar overlijden en komt mitsdien gedurende die periode de opeisbaarheid van de vorderingen te vervallen en de rente over de vorderingen de vruchtgebruikster toe.

4.9. Op grond van het vorenstaande moet worden beslist in de door belanghebbenden voorgestane zin.

5. Proceskosten en griffierecht

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 0,5 (gewicht van de zaak) is fl. 710,= voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Nu het beroep van belanghebbende gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbenden het door dezen gestorte griffierecht ad fl. 75,= te vergoeden.

6. De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag van ieder van vorenbedoelde erfgenamen tot een naar een verkrijging van fl. xxx,--;

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbenden het door dezen gestorte griffierecht

ad in totaal fl. 75,-- vergoedt;

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding tot een bedrag van fl. 710,--

en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 5 januari 2000 door mr. M.E. van Hilten, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 januari 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht ¦ 160,=

Indien het bestuursorgaan beroep in cassatie instelt en de uitspraak van het Hof in stand blijft, is een griffierecht van ¦ 630,= verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.