Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5986

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/03186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/03186

HET GERECHTSHOF TE 's-Hertogenbosch

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid QH. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid grote ondernemingen te Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift tegen de beschikking van de Inspecteur als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 januari 2000 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer B, verbonden aan belanghebbende, de heer S. als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van mevrouw mr. V, beiden verbonden aan Z, alsmede, namens de Inspecteur, de heer drs. T, tot bijstand vergezeld van de heer B, beiden verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 januari 2000, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof vernietigt zowel de bestreden uitspraak als de daarbij

gehandhaafde beschikking;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van

belanghebbende tot een bedrag van fl. 1.420,= onder

aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechts-

persoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het

door deze gestorte griffierecht ad fl. 75,= wordt

vergoed.

De gronden

(1) De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de bestreden beschikking in ieder geval in die zin dient te worden gewijzigd dat QM B.V. geen deel uitmaakt van de door hem gestelde fiscale eenheid.

(2) Anders dan de Inspecteur stelt, is de enkele omstandigheid dat zowel QG B.V. als QS B.V. en R B.V. werkzaam zijn in de bouwnijverheid onvoldoende voor het oordeel dat de activiteiten van deze vennootschappen in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 1989, BNB 1989/112.

(3) Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de activiteiten van R B.V. enerzijds en QG B.V. en QS B.V. anderzijds tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel strekken nu, naar uit de vaststaande feiten voortvloeit, zowel de activiteiten als de klantenkring van R B.V. geheel anders zijn dan die van QG B.V. en QS B.V..

(4) Ook bestaat naar het oordeel van het Hof, naar blijkt uit het onweersproken gebleven overzicht op pagina 2, onderaan, van het beroepschrift, tussen de activiteiten en de klantenkring van QG B.V. en QS B.V. zoveel verschil dat niet kan worden gezegd dat deze vennootschappen een zelfde economisch doel nastreven.

(5) Gelet op het vorenstaande bestaat tussen R B.V., QG B.V. en QS B.V. geen verwevenheid in economisch opzicht. Dit brengt met zich dat tussen geen van de onderhavige vennootschappen een fiscale eenheid bestaat, nu niet is gesteld of gebleken dat QH B.V. of Q B.V. hun activiteiten in hoofdzaak uitoefenen ten behoeve van hetzij R B.V., hetzij QG B.V., hetzij QS B.V..

(6) Gelet op hetgeen onder (1) is vermeld en onder (2) tot en met (5) is overwogen, is het beroep gegrond. Hierin vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1 (in goede justitie bepaald gewicht van de zaak) is fl. 1.420,=.

(7) Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= te vergoeden.

(8) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 26 januari 2000 door J.A. Meijer, voorzitter, G.J. van Muijen en M.E. van Hilten, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 7 februari 2000