Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5976

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/02121
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/2121

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH.

U I T S P R A A K.

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1992.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 000.000,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof op woensdag 22 september 1999 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de heer drs. Q, verbonden aan A te T, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de heer mr. H, namens de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota?s alsmede van de daarbij gevoegde bijlagen moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Tijdens de zitting heeft de Inspecteur een situatie-tekening en een nadere omschrijving van vergelijkbare percelen overgelegd. Deze documenten worden met toestemming van belanghebbende tot de stukken van het geding gerekend.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende exploiteert een agrarisch bedrijf in de

vorm van een eenmanszaak.

2.2. Bij notariële akte van 7 februari 1992 heeft belanghebbende een tot zijn ondernemingsvermogen behorend perceel cultuurgrond, groot 7.96.15 ha., kadastraal bekend Gemeente O, sectie Y, nummers 000 en 000, overgedragen aan M. B.V., zulks op grond van een ruilovereenkomst; M.B.V. oefent het aannemersbedrijf uit. Het perceel had op het moment van de overdracht -en heeft op het moment van de zitting nog steeds- volgens het ter plaatse vigerende bestemmingsplan een agrarische bestemming.

Belanghebbende verkreeg door middel van de ruilovereenkomst een perceel cultuurgrond groot 9.40.00 ha., kadastraal bekend Gemeente O, sectie Z, nummer 000, alsmede een bedrag in contanten van f 55.000,--. Laatstgenoemd perceel is door M. B.V. voor een bedrag van f 000.000,-- van een landbouwer gekocht op dezelfde dag als die waarop de overdracht ter uitvoering van de eerder genoemde ruilovereenkomst heeft plaatsgevonden.

2.3. Bij zijn vertoogschrift heeft de Inspecteur een taxatieverslag en een taxatierapport opgenomen van de Inspectie der Registratie en Successie te 's- Hertogenbosch (bijlagen 6 en 7 van het vertoogschrift), waarin de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van zowel het overgedragen perceel als het verkregen perceel op

f 5,65 per m? is gesteld.

2.4. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen verhoogd met f 130.000,--, zijnde het afgeronde verschil tussen de door de Inspecteur aangenomen waarde van de door belanghebbende overgedragen grond (7.96.15 ha. à f 5,65 per m? = f 449.827,-) en de waarde van de door belanghebbende verkregen grond (9.40.00 ha. à f 5,65 per m? = f 531.100,--) vermeerderd met de bijbetaling in contanten van f 55.000,--, met als vermelding bestemmingswijzigingswinst.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag, of belanghebbende zich terecht op het standpunt stelt dat het in 2.4 genoemde bedrag van f 130.000 valt onder de vrijstelling van artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, hetgeen hij verdedigt, maar de Inspecteur betwist.

3.2. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan naar de van hen afkomstige stukken. Ter zitting heeft de Inspecteur een passage van zijn pleitnota ingetrokken, te weten de voorlaatste alinea op pagina 1.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 20.833,=, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat tot de winst niet behoren voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden, behoudens voor zover de waardeverandering in de uitoefening van het bedrijf is ontstaan of verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend.

4.2. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de opbrengst van de overgedragen grond (hierna: WEV) gelijk is aan de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (hierna: WEVAB) en dat derhalve de totale behaalde boekwinst is aan te merken als een onbelaste bate ex artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende stelt dat zowel de WEV als de WEVAB van de overgedragen grond f 7,36 per m? bedraagt.

4.3. Het Hof merkt dienaangaande het volgende op.

De Inspecteur stelt op grond van de door de Inspectie der Registratie en Successie verrichte taxatie, waarbij ook rekening is gehouden met enkele grondverkopen in de directe omgeving, de WEVAB per m? van het overgedragen perceel op

f 5,65.

Belanghebbende heeft zijn stelling dat de waarde per m? f 7,36 bedraagt niet met een taxatierapport onderbouwd.

Tijdens de zitting hebben zowel belanghebbende als de Inspecteur overzichten overgelegd met prijzen voor landbouwgronden, betaald in de periode 1991/1992. Het Hof gaat aan deze overzichten voorbij nu deze te algemeen zijn en onvoldoende inzicht geven in de prijzen van landbouwgronden in het gebied waar het hier om gaat, te weten O en Y.

Gelet op het door de Inspecteur overgelegde taxatierapport en de omstandigheid, dat de grond, die belanghebbende door ruiling heeft verkregen en die, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, van ongeveer dezelfde kwaliteit was als de door belanghebbende afgestane grond, door M B.V. op dezelfde dag voor f 5,65 per m? is gekocht, ligt het op de weg van belanghebbende, de juistheid van zijn stelling, dat de WEVAB van de door hem overgedragen grond f 7,36 per m? heeft bedragen, aannemelijk te maken.

In dat bewijs is hij niet geslaagd.

Nu belanghebbendes eerste grief faalt gaat het Hof er in het hiernavolgende van uit dat de opbrengst van de grond, de WEV, f 7,36 per m? bedraagt, dat de WEVAB f 5,65 per m? bedraagt en dat de totale waardeverandering te stellen is op tenminste

f 130.000,--.

4.4. De Inspecteur heeft verdedigd dat het bedrag van

f 130.000,-- niet is vrijgesteld van inkomstenbelasting omdat de waardeverandering van het perceel verband houdt met de omstandigheid dat de grond waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal

worden aangewend. Belanghebbende stelt dat op het moment van verkoop objectief niet te verwachten was dat de grond waarschijnlijk binnenkort een bestemming buiten het landbouwbedrijf zou krijgen.

4.5. Bij de beoordeling hiervan neemt het Hof het volgende in aanmerking:

- M B.V. exploiteert geen landbouwbedrijf;

- Van een -bij dergelijke transacties veel voorkomend- beding dat de verkoper de grond nog tenminste zes jaar in zijn landbouwbedrijf mag blijven gebruiken, is niet gebleken; de Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de koper op ieder moment over de grond kon beschikken;

- Het overgedragen perceel grond is gelegen in de nabijheid van een zandwinningsgebied;

- M. B.V. heeft reeds voordat de grond door belanghebbende aan haar werd overgedragen een zogenaamd haalbaarheidsonderzoek door Grontmij N.V. laten verrichten met betrekking tot zandwinning in het gebied waarin het onderhavige perceel is gelegen. Het onderzoeksrapport van Grontmij N.V. is van november 1991 en bevat de conclusie dat zandwinning onder bepaalde voorwaarden mogelijk is;

M.B.V. had voor het perceel meer over dan de WEVAB en wel

f 7,36 per m?;

- Uit het gestelde op bladzijde 3 van het rapport van de Grontmij N.V. valt af te leiden dat de provincie positief stond tegen over het zandwinningsplan;

- De gemeenten O en V waren tegen het zandwinningsplan, doch op het moment van de ruil c.q. de notariële overdracht van de grond was het niet bekend dat de gemeenten niet mee wensten te werken aan de wijziging van het bestemmingsplan. De negatieve houding van de gemeenten bleek eerst tijdens de bespreking op 11 maart 1992, ruim een maand na de overdracht;

- Gedeputeerde Staten kunnen, indien een gemeente geen planologische medewerking wenst te verlenen aan grootschalige zandwinning, gebruik maken van de in artikel 37 van de Wet op de ruimtelijke ordening neergelegde aanwijzingsbevoegdheid. Aldus is de houding van de provincie aangaande de zandwinningsplannen van grote invloed.

4.6. Bovenstaande feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, brengen het Hof tot de conclusie dat bij het bedrag van

f 130.000,-- sprake is van een waardeverandering die verband houdt met de omstandigheid dat op het moment van de overdracht te verwachten was dat de grond waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend als bedoeld in artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dat de wijziging van de bestemming later niet wordt gerealiseerd doet aan deze conclusie niet af.

4.7. Belanghebbende heeft nog aangevoerd, dat bij beschikking van 26 mei 1994 de vrijgestelde bestemmingswijzigingswinst ex artikel 70 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ter zake van het onderhavige perceel is vastgesteld op nihil. Het Hof acht dit gegeven voor het onderhavige geschil niet relevant nu die beschikking is afgegeven naar de toestand per 31 maart 1986 en er op dat moment nog geen onderzoek van de Grontmij N.V. inzake zandwinning had plaatsgevonden, zodat niet gezegd kan worden dat er toen reeds enigszins serieuze plannen voor zandwinning waren.

Aan belanghebbendes stelling dat bij het beoordelen van de aanvraag voor de artikel 70-beschikking de taxateurs tot de conclusie kwamen dat noch in 1986 noch in 1993 een vergunning tot zandwinning tot de mogelijkheden behoorde gaat het Hof voorbij, nu de Inspecteur uitdrukkelijk heeft weersproken dat de taxateurs deze conclusie met betrekking tot 1993 hebben getrokken, en zulks uit de gedingstukken ook niet blijkt.

4.8. Het gelijk in het geschil is aan de zijde van de Inspecteur, zodat moet worden beslist als hierna vermeld.

5. De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing.

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld te 's-Hertogenbosch op 28 januari 2000

door J.Th. Simons, voorzitter, A. Bijlsma en H.E. Koning, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 28 januari 2000

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.