Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AE9586

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
R9900616
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling nominaal bedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch,

Rekestenkamer

Op het hoger beroep - ingeleid bij het op 21 oktober 1999 ter griffie ingediende verzoekschrift - in de zaak van:

X. wonende te P.

appellant, hierna te noemen: X.

procureur: mr. L. Spronken,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 13 oktober 1999, gegeven onder insolventienummer 99/26 R, waarbij onder meer de aflossingscapaciteit van X. is bepaald op f. 2.500,-- per maand.

1. Het geding in eerste aanleg.

Het hof verwijst naar voormeld vonnis van de rechtbank, dat zich bij de stukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep.

2.1. Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht de bestreden uitspraak gedeeltelijk te vernietigen en de aflossingscapaciteit van hem te bepalen op f. 850,-- per maand.

2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de producties overgelegd bij beroepschrift;

het proces-verbaal van de behandeling van de zaak bij voornoemde rechtbank van 6 oktober 1999.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 1999.

Bij die gelegenheid zijn X en zijn advocaat gehoord, alsmede mevrouw P.A.M.T. van den Berg als bewindvoerster.

De verdere behandeling is vervolgens aangehouden tot 17 november 1999 (pro forma) teneinde X. alsnog in de gelegenheid te stellen nadere (financiële) bescheiden in het geding te brengen.

2.4. Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de brief van X. d.d. 10 november 1999, met bijlagen. Met instemming van de hiervoor gehoorde personen behoefde een nadere mondelinge behandeling van 17 november 1999 niet plaats te vinden.

3. De gronden van het hoger beroep.

X. is van mening, dat de rechtbank zijn aflossingscapaciteit op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Die betalingscapaciteit behoort naar de opvatting van X. te worden bepaald op f. 850,- per maand.

4. De beoordeling.

4.1. Op X. is toepasselijk verklaard de schuldsaneringsregeling.

4.2. Ter discussie staat de hoogte van de betalingscapaciteit van X. in het kader van de schuldsaneringsregeling.

4.3 Voor de beoordeling van de betalingscapaciteit van X. zal het hof uitgaan van na te melden financiële gegevens van X. voorzover die gegevens zijn betwist zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen

f. 4.811,-- besteedbaar per maand.

Dit volgt uit de door X. bij zin brief van 10 november 1999 overgelegde aanslag 1998 en is als volgt becijferd:

vastgesteld belastbaar inkomen (f. 93.965,--) minus verschuldigde inkomstenbelasting (f. 36.233), gedeeld door 12.

B. Lasten

ABW-normbedrag, exclusief woonkostencomponent, voor een alleenstaande, inclusief maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, zijnde f. 1.151,41 per maand;

380,-- per maand wegens (reservering) inkomstenbelasting in verband met de auto van de zaak.

Dit heeft het hof becijferd aan de hand van de gegevens voorkomende op de aanslag IB/PV 1998 en de overgelegde jaaropgaaf 1998 van de werkgever.

X. heeft aannemelijk gemaakt dat in even genoemde aanslag is begrepen de fiscale bijtelling voor de auto van f. 9.000 op jaarbasis. Dat betekent dat het verschil tussen de blijkens de aanslag verschuldigde IB en de feitelijk blijkens de jaaropgaaf ingehouden IB betrekking heeft op deze auto. Het verschil bedraagt derhalve f. 4.571,-- op jaarbasis, of wel f. 380,-- per maand.

Met dit bedrag houdt het hof rekening.

f. 610, - per maand als aandeel (64%) van X. in de gemeenschappelijke huurlasten met zijn echtgenote, die in totaal fl. 953,-- per maand bedragen.

Dit aandeel (64%) vloeit voort uit de verhouding in inkomens tussen X. en zijn echtgenote en is als volgt berekend:

t.a.v. X. - f. 4.811,-- (voormeld besteedbaar inkomen) minus f. 380,-- (voormelde IB-reserveringen auto) levert op f. 4.431,--;

t.a.v. echtgenote van X. ongeveer f. 2.470,--, inclusief vakantiegeld, per maand netto, blijkende uit de door X. bij zijn brief van 10 november 1999 overgelegde loonstroken van zijn echtgenote, waaruit een vast netto maandloon valt af te leiden van ongeveer f. 2.352,--, te vermeerderen met het gebruikelijke 5% vakantiegeld.

Nu de uit die loonstroken blijkende overwerkvergoeding van de echtgenote niet structureel is en bovendien fluctueert van hoogte, zal het hof deze vergoeding buiten beschouwing laten.

Het gezin X. kan derhalve beschikken over een totaal netto inkomen van (fl. 4.431,-- plus fl. 2.470,--) ongeveer f. 6.901,-- per maand, zodat het inkomens-aandeel van X. daarvan circa 64% bedraagt (dit is: (f. 4.431,--: f. 6.901,--) x 100% = ± 64%).

f. 337,06 per maand aan verschuldigde premie ziektekosten.

Dit is als volgt becijferd:

f. 367,56 aan inhoudingen premie ZKV blijkende uit de bij zijn brief d.d. 10 november 1999 overgelegde loonstroken maart tot en met september 1999 minus fl. 30,50 aan in de bijstandsnorm opgenomen nominale premie ziektekosten, zoals dit onbetwist door de rechtbank is overwogen;

150,-- per maand als "bijdrage vader" in de studiekosten van zijn zoon, welke bijdrage X. voortaan uitsluitend per bank/giro aan zijn zoon zal betalen.

Deze wijze van betaling heeft de instemming van de bewindvoerster.

Het hof gaat er van uit dat X.voormelde bijdrage ook op de door hem toegezegde wijze aan zijn zoon zal betalen;

C. Het hof houdt geen rekening met de volgende door X. opgevoerde lasten:

verwervingskosten van ongeveer f. 180,-- per maand, en

telefoonkosten ad f. 131,-- per maand, zoals een en ander door X. thans opgevoerd in zijn opgave overgelegd bij zijn brief van 10 november 1999.

Deze kosten dienen in eerste instantie te worden bestreden uit het aan hem te laten normbedrag, dan wel uit het bedrag dat X. forfaitair als fiscale beroepskosten mag opgeven voor zijn belastingaangifte en waarmee het hof geen rekening heeft gehouden doordat is uitgegaan van het belastbaar inkomen.

De overige door X. opgevoerde kosten, die betrekking hebben op de echtgenote en/of haar kind (waaronder studiebijdrage dochter Y. en reservering belastingen Y.), omdat deze kosten voor rekening van de echtgenote te blijven.

Vaststelling van de betalingscapaciteit

4.4. Op grond van voormelde financiële omstandigheden van X. komt het hot tot de slotsom, dat de betalingscapaciteit van X.naar redelijkheid en billijkheid behoort te worden vastgesteld op fl. 2.150,-per maand.

4.4.1. X. heeft geen grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde termijn en de ingangsdatum, zodat deze dus vaststaan.

4.5. op het hoger beroep van X.: zal het hof beslissen op nader aan te geven wijze.

5. De uitspraak.

Het hof:

vernietigt de bestreden uitspraak van voornoemde rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij de betalingscapaciteit van X. is bepaald op fl. 2.500,-- per maand;

en opnieuw rechtdoende:

stelt die betalingscapaciteit vast op (voorstel) f. 2.150,-- per maand;

Deze uitspraak is gegeven door mrs Koens, Van Etten en De Bruijn-Lückers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof op 24 november 1999, in tegenwoordigheid van de griffier.