Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AE9580

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
R9900377
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement vóór 1 december 1999 beëindigd is geen zelfstandige afwijzingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Rekestenkamer

Beschikking d.d. 28 juli 1999 in de zaak van:

X. wonende P., appellant, nader te noemen X.

procureur J.E. Denner,

op het hoger beroep tegen de op 15 juni 1999 door de rechtbank te Breda gewezen uitspraak.

l. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar voormelde uitspraak van de rechtbank, waarvan de inhoud bij X. bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 juni 1999, heeft X. verzocht voormelde uitspraak te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing zal zijn.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 1999. Bij die gelegenheid zijn X. en zijn advocaat gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 juni 1999;

de brieven met bijlagen van de procureur van X. van 6 en 14 juli 1999;

de door de man tijdens de mondelinge behandeling overgelegde stukken.

3. Gronden van het hoger beroep

De grief is gericht tegen de afwijzing van het verzoek en de daaraan gegeven motivering.

4. De beoordeling

4.1. Bij zijn inleidend verzoekschrift van 17 mei 1999, ingekomen ter griffie van de rechtbank te 's-Hertogenbosch op 3 juni 1999, heeft X. die rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Zij overwoog daartoe:

dat gebleken is dat X., minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend in staat van faillissement heeft verkeerd,

dat het huidige schuldenpakket gedeeltelijk eerst is ontstaan na het einde van het faillissement en dat

is gebleken dat X. in het minnelijke traject bewust geen opgave heeft gedaan van al zijn inkomsten.

4.2 X. stelt terecht dat de rechtbank heeft miskend, dat de hierboven onder 1) vermelde grond, gebaseerd op artikel 288 lid 2 sub a Fw, ziet op situaties die zijn ontstaan na de invoering (op 1 december 1998) van de Wsnp. X., heeft in staat van faillissement verkeerd, maar dat faillissement is geëindigd op 1 januari 1997, derhalve vóór de invoering van de Wsnp.

4.3. X. stelt dat zijn schulden ten tijde van het faillissement ongeveer fl. 90.000,-- beliepen en dat deze nog iets zijn opgelopen doordat zijn toenmalige partner de relatie heeft beëindigd en hij voor de door hen gezamenlijk aangegane lasten kwam te staan. Verder stelt X. dat de schuldenlast nog verder is toegenomen door over sommige bedragen verschuldigde rente en incassokosten. Per 22 juni 1999 bedroeg de totale schuldenlast van X. fl. 104.935,46.

Op grond van de inhoud van de stukken en de toelichting die daarop ter terechtzitting door X. en zijn advocaat is gegeven, moet er van worden uitgegaan dat het overgrote deel van de op dit moment bestaande schuldenlast van X. dateert uit de tijd van diens faillissement.

X. heeft voldoende aannemelijk gemaakt, dat hij tijdens en na zijn faillissement steeds op (een aantal van) zijn schulden is blijven aflossen.

4.4. X. stelt dat de enige inkomenscomponent die hij in het minnelijke traject niet heeft opgegeven betrekking heeft op een vergoeding voor reiskosten van in totaal fl. 208,--, die hij heeft ontvangen van het GAK voor het volgen van een door het GAK bekostigde beveiligingscursus, die ruim een half jaar geduurd heeft. Weliswaar had K melding moeten maken van dat ontvangen bedrag, maar er kan niet worden aangenomen dat hij te kwader trouw is geweest nu hij dat heeft nagelaten.

4.5. De advocaat van X. die ook de curator in diens faillissement was, heeft ter zitting verklaard, dat X. zich tijdens het faillissement steeds coöperatief heeft opgesteld en dat hij geen redenen heeft om te veronderstellen dat X. dat in het kader van een schuldsaneringsregeling niet zou doen. Daarbij heeft hij er nog op gewezen, dat X. beschikt over een netto maandinkomen van fl 2.300,--, hetwelk waarschijnlijk nog zal toenemen nadat X. naar verwachting zijn huidige stage binnenkort succesvol zal hebben beëindigd. Dan zal hem namelijk aansluitend een dienstbetrekking worden aangeboden. Bovendien is X. voornemens op korte termijn te gaan samenwonen met een partner die over eigen inkomsten beschikt, zodat de gezamenlijke vaste lasten zullen kunnen worden gedeeld.

4.6. Het hof is van oordeel, dat X. binnen het geschetste perspectief de kans moet worden gegeven om zijn problemen te boven te komen, waartoe schuldsanering dienstig is.

4.7. Daarom zal het hof de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. reeds thans uitspreken. De grief is dus gegrond.

X. zal nog hebben te voldoen aan alle eisen, vermeld in artikel 285 lid 2 aanhef en onder a t/m g van de Faillissementswet.

5. De beslissing

het hof:

Vernietigt de beslissing, waarvan beroep.

Spreekt uit de definitieve toepassing van de schuldsanering ten aanzien van:

X.,

Geboren op ...,

wonende te P.

verwijst de zaak met dat doel en met inachtneming van de wettelijke bepalingen naar de rechtbank te Breda.

Deze beschikking is gegeven door mrs Lo-Sin-Sjoe, Luijten-Meijer en Dorn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 juli 1999 door mr Lo-Sin-Sjoe in tegenwoordigheid van de griffier.