Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AA9151

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/00521
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/00521

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw E. te V (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te H van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar voor het jaar 1990 met verhoging wegens het niet tijdig doen van aangifte opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 30 juni 1999 te 's-Hertogenbosch.

Daar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer H., verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 14 juli 1999, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing.

Het Hof vernietigt de uitspraak van de Inspecteur; vermindert de aanslag met het bedrag van de daarin begrepen premie ingevolge de AWBZ, met een verhoging wegens het niet tijdig doen van aangifte ten bedrage van fl. 11,=; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 177,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 75,= wordt vergoed.

De gronden.

1. Belanghebbende is geboren op 26 februari 1926. Zij heeft de Duitse nationaliteit en is gehuwd. Zij heeft tot haar pensionering gewerkt als ambtenaar voor het land Nordrhein-Westfalen. Zij heeft nimmer beroepswerkzaamheden in Nederland verricht. Na haar pensionering heeft zij te zamen met haar echtgenoot hun woonplaats in Duitsland opgegeven, en zijn zij met ingang van 19 oktober 1990 in Nederland komen wonen.

2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een gecombineerde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1990 opgelegd met een verhoging wegens niet tijdige aangifte. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de Inspecteur deze aanslag verminderd met de daarin begrepen inkomstenbelasting, en heeft hij de verhoging naar evenredigheid verlaagd tot fl. 14,=. Nadat belanghebbende beroep had ingesteld, zijn partijen het erover eens geworden dat zij over het jaar 1990 ten onrechte in de premieheffing voor de AWBZ is betrokken, en dat de verhoging in verband daarmee met fl. 3,= dient te worden verminderd.

3. Het geschil gaat thans uitsluitend nog over de vraag of belanghebbende in de periode 19 oktober 1990 t/m 31 december 1990 verplicht verzekerd was op grond van de AOW, de AWW en de AAW en of zij in verband daarmee terecht is betrokken in de premieheffing voor deze verzekeringen.

4. Enkel naar Nederlands nationaal recht beoordeeld was belanghebbende in deze periode verplicht verzekerd voor de genoemde volksverzekeringen. Zij woonde toen in Nederland, en werd niet van de verzekering uitgesloten door één van de bepalingen uit het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (Staatsblad 164).

5. Zij beroept zich op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Verordening). Naar haar oordeel was zij op grond van deze bepaling uitsluitend onderworpen aan de sociale zekerheidswetgeving van Duitsland, het land waar zij het laatst gewerkt heeft.

Volgens het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Verordening is zij van toepassing op ambtenaren voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een Lid-Staat, waarop deze verordening van toepassing is. In artikel 4, vierde lid, van de Verordening is bepaald dat zij niet van toepassing is op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden. De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat belanghebbende als (voormalig) ambtenaar in Duitsland onderworpen was (en is) aan een bijzondere sociale zekerheidsregeling voor ambtenaren. Belanghebbende heeft niets gesteld dat erop wijst dat zij in Duitsland onderworpen is of geweest is aan een andersoortige sociale zekerheidsregeling. Haar beroep op de Verordening moet daarom worden verworpen.

6. Tevens heeft zij een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het verdrag tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering van 29 maart 1951 (Tractatenblad 1951, 57). Op grond van artikel 4, eerste lid, van dit verdrag zijn verzekerden die op het grondgebied van een van beide verdragsluitende partijen werkzaam zijn, onderworpen aan de wettelijke regelingen die van kracht zijn in het land waar zij hun werkzaamheden verrichten. Deze bepaling kan gelet op de bewoordingen daarvan niet worden toegepast op belanghebbende, die zich uit het arbeidsproces heeft teruggetrokken. Ook haar beroep op het verdrag uit 1951 moet derhalve worden verworpen.

7. In de omstandigheid dat het beroep gedeeltelijk gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 1 (punt) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (4 of meer samenhangende zaken) is fl. 1.065,=. Het Hof zal in ieder van de zes samenhangende zaken aan de belanghebbende een kostenvergoeding toekennen van 1/6 x fl. 1.065,= is fl. 177,50.

8. Het beroep is gedeeltelijk gegrond, zodat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= dient te vergoeden.

9. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld te 's-Hertogenbosch op 14 juli 1999 door M.W.C. Feteris, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 27 juli 1999