Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AA7132

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/01994
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1504

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/01994

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw S met gekozen domicilie te Amsterdam tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/onder-nemingen buitenland te Heerlen van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de hierna te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 29 februari 1996 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een gecombineerde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 opgelegd. Het premiedeel van deze aanslag bedraagt

fl. 13.445,=.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende tijdig gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak tijdig - op 29 juli 1996 - en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Terzake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 mei 1999, ge-houden te 's-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en ge-hoord de heer drs. M , als gemachtigde van belang-hebbende, tot bijstand vergezeld van mevrouw mr. L., beiden verbonden aan het kantoor te E van X Belastingadviseurs, alsmede, als gemachtigde van de Inspecteur, de heer drs. J. verbonden aan de Directie Particulieren te Q van de rijksbelastingdienst.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overhandigd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in 1960, heeft uitsluitend de Engelse nationaliteit. Zij is gehuwd.

2.2. Belanghebbende was vanaf september 1989 tot 1 juli 1994 woonachtig en werkzaam in Nederland als gevolg van een

uitzending door haar Engelse werkgeefster. Zij was gedurende deze periode als consulent in dienstbetrekking werkzaam bij M Company E Ltd. te A. Gedurende deze periode was zij verzekerd en daarmede premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.3. Op 1 juli 1994 heeft belanghebbende zich metterwoon gevestigd in Londen (Engeland), waar zij ook thans nog woonachtig is. Met ingang van die datum is zij (weer) in Engeland bij haar onder 2.2 bedoelde Engelse werkgeefster in dienstbetrekking gaan werken en is zij aldaar sociaal verzekerd en premieplichtig geworden.

Na 30 juni 1994 heeft zij geen binnenlands inkomen meer genoten.

2.4. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het onderhavige jaar (1994) een gecombineerde aanslag in de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen opgelegd. De inkomstenbelasting is gebaseerd op een belastbaar inkomen van fl. 169.469,=. Het premiedeel van deze aanslag bedraagt 31,075% van fl. 43.267,= is, afgerond, fl. 13.445,=. Dit is de premie welke volgens de wettelijke voorschriften voor het jaar 1994 behoort bij het maximumbedrag bedoeld in artikel 10, lid 5, van de Wet financiering volksverzekeringen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Nadat belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard haar grief dat zij in de bezwaarfase niet is gehoord, te laten varen, is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of het gemeenschapsrecht met zich brengt dat in casu het in artikel 10, lid 5, van de Wet financiering volksverzekeringen bedoelde maximumbedrag tijdsevenredig dient te worden herrekend.

Deze vraag dient naar de mening van belanghebbende bevestigend, doch naar het oordeel van de Inspecteur ontkennend te worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door haar ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, voor zover niet reeds verwerkt in de Feiten en zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Erkend wordt dat het bedrag van de in de aanslag begrepen premie volksverzekeringen in overeenstemming met Nederlands nationaal recht is.

Anders dan gesteld in het derde tekstblok op pagina 2 van de nadere motivering van het beroep de dato 1 oktober 1996, is belanghebbende niet zwaarder aangeslagen in de premieheffing volksverzekeringen dan het geval zou zijn geweest indien zij gedurende het gehele jaar 1994 haar woonplaats in Nederland zou hebben behouden.

Niet is bekend welk bedrag belanghebbende over het tweede halfjaar 1994 aan Engelse sociale premies is verschuldigd. Ook is onbekend of belanghebbende indien zij gedurende het gehele onderhavige jaar in Engeland verzekerd en premieplichtig zou zijn geweest, over dat jaar meer of minder sociale premies zou hebben betaald dan thans het geval is (som van de Nederlandse maximum premie plus Engelse premie over het tweede halfjaar).

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, met dien verstande dat uitsluitend aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Inspecteur:

Als belanghebbende het gehele jaar 1994 in Nederland was blijven wonen en per 1 juli 1994 haar beroepswerkzaamheden had beƫindigd, was zij dezelfde (Nederlandse) premie volksverzekeringen verschuldigd geweest als thans het geval is. Dit laatste zou ook zo zijn geweest indien belanghebbende op 1 juli 1994 zou zijn overleden.

Door gedurende het eerste halfjaar 1994 in Nederland verzekerd te zijn geweest, heeft belanghebbende als gevolg van afrondingsregels recht op een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet opgebouwd voor een geheel jaar; in ieder geval in zoverre bestaat er evenredigheid tussen de door belanghebbende verschuldigde premie en de daaraan door haar te ontlenen rechten.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het premiedeel van de aanslag tot 31,075% x 180/360 x fl. 43.267,= is, afgerond,

fl. 6.722,=, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Met partijen is het Hof van oordeel dat de aanslag in overeenstemming is met Nederlands nationaal recht.

4.2. In zijn arrest van 29 november 1995, BNB 1996/159c*, heeft de Hoge Raad met betrekking tot een vergelijkbaar geval overwogen dat redelijkerwijs niet kan worden betwijfeld dat de regels van het gemeenschapsrecht in een geval als het onderhavige, waarin niet sprake is van een gelijktijdige, doch van een opeenvolgende toepassing van de wetgevingen van twee Lid-Staten, niet eraan in de weg staan dat de verschuldigde premie volksverzekeringen wordt berekend met toepassing van de Nederlandse heffingssystematiek, met inbegrip van het zogenoemde maximum premie-inkomen, zodat geen plaats is voor een vermindering van dit maximum naar gelang van het aantal dagen van het onderhavige jaar waarop belanghebbende premieplichtig was.

Naar het oordeel van het Hof brengt het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg van 26 januari 1999, zaak C-18/95 (Terhoeve), BNB 1999/150c*, hierin geen wijziging. Tot het stellen van prejudiciƫle vragen aan dat Hof vindt het Hof derhalve geen aanleiding.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande dient te worden beslist als volgt:

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 30 juni 1999 door J.A. Meijer, voorzitter, G.J. van Muijen en C.J. Oranje, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Bij verhindering van de voorzitter is deze uitspraak in plaats van door deze ondertekend door G.J. van Muijen.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 22 juli 1999