Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AA7051

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-05-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/01490
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/1378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/01490

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van M fonds GmbH te X (hierna: belanghebbende) met gekozen domicilie te Roermond tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland te Heerlen van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift tegen de beschikking van de Inspecteur op het door belanghebbende en G B.V. ingediende verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 27 april 1999 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. H., als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer J, beiden verbonden aan Fiscaal-Juridisch Adviesburo Q te Z, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. D, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 11 mei 1999, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de daarbij gehandhaafde beschikking;

verklaart belanghebbende ontvankelijk in haar verzoek;

wijst het verzoek af ; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht

ad fl.75,= wordt vergoed.

De gronden

(1) Partijen hebben ter zitting verklaard dat de zogeheten overgangsregeling te dezen niet van toepassing is wegens het op 31 maart 1995, 18.00 uur, ontbreken van een schriftelijke huur-overeenkomst.

(2) Onder onroerende zaak in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet is in casu te verstaan het gedeelte van het kantoorpand dat door G B.V. van belanghebbende wordt gehuurd. Ter zitting is immers komen vast te staan dat dit gedeelte een zelfstandig en afzonderlijk te gebruiken gedeelte vormt.

(3) Vaststaat dat G B.V. de door haar gehuurde onroerende zaak gebruikt voor doeleinden terzake waarvan zij slechts voor 66 %, en derhalve niet volledig of nagenoeg volledig, recht heeft op aftrek van voorbelasting.

(4) De door belanghebbende bedoelde uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën terzake van de toepassing van het 90 %-criterium hebben betrekking op een situatie die zich te dezen, naar vaststaat, niet voordoet, namelijk een situatie waarbij de huurder de door hem gehuurde onroerende zaak gedeeltelijk gebruikt voor doeleinden waarvoor hij volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft en gedeeltelijk gebruikt voor doeleinden waarvoor dat niet het geval is.

(5) Gelet op hetgeen onder (1) tot en met (4) is overwogen, is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

(6) Nu het verzoek van belanghebbende wordt afgewezen en bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende gemaakte proceskosten. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

(7) De omstandigheid dat belanghebbende, naar de Inspecteur ter zitting heeft erkend, bij de onderwerpelijke beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk in haar verzoek is verklaard, brengt met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= dient te vergoeden.

(8) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 11 mei 1999 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en A.L.C. Simons, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

In verband met de omstandigheid dat de voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt dit proces-verbaal te ondertekenen, is zulks verricht door M.E. van Hilten voornoemd.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 21 mei 1999