Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AA7050

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/00355
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/48.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/00355

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer H. (hierna ook: belanghebbende) met gekozen domicilie te X tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid ondernemingen te X van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Met dagtekening 31 juli 1995 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 opgelegd, welke aanslag - voorzover hier van belang - is vastgesteld naar een premie-inkomen van fl. 216.311,=.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende tijdig gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

Belanghebbende heeft bij brief van 14 januari 1997 een door hem als pleitnota aangeduid schriftuur aan het Hof toegezonden, welk stuk is aangemerkt als een conclusie van repliek. De Inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 23 maart 1999, gehouden te 's-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. C, verbonden aan het kantoor te X van Q Belastingadviseurs, tot bijstand vergezeld van de heer G. alsmede, namens de Inspecteur, de heer E, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof en aan de wederpartij overhandigd. Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting een volledig exemplaar van een 9 maart 1992 gedagtekend "consultancy agreement" met een begeleidend schrijven van 17 maart 1999 per faxbericht aan het Hof gezonden. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat evengenoemd "consultancy agreement" en genoemd schrijven van 17 maart 1999 tot de stukken van het geding worden gerekend. Het Hof rekent de vorengenoemde stukken, waaronder met name ook de pleitnota van de Inspecteur, tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten.

Het Hof stelt op grond van de stukken en de aanvullende, deels daarvan afwijkende, verklaringen van partijen ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in 1935, was gedurende het gehele onderhavige jaar (1992) gehuwd.

2.2. Belanghebbende was op basis van een hierna onder 2.3 te melden "consultancy agreement" in het onderhavige jaar voor de Y-bank werkzaam in Polen. Voor het verrichten van deze werkzaamheden verbleef hij de volgende perioden in Polen:

verblijfsperiode, inclusief aankomst- aantal dagen

en vertrekdagen

19 januari tot en met 7 februari 20

2 maart tot en met 15 mei 75

29 juni tot en met 1 juli 3

12 juli tot en met 19 augustus 39

24 augustus tot en met 17 september 25

16 oktober tot en met 26 oktober 11

30 oktober tot en met 14 november 16

30 november tot en met 19 december 21

Totaal aantal dagen 210.

De onderbrekingen van belanghebbendes verblijf in Polen betroffen verlof. Hij verbleef dan bij zijn echtgenote in Nederland.

Belanghebbende heeft voor zijn werkzaamheden in Polen in 1992 aan de Y-bank, in overeenstemming met het "consultancy agreement", een bedrag gedeclareerd van 210 dagen x fl. 1.000,= is fl. 210.000,=. Hierbij zijn de aankomst- en vertrekdagen aangemerkt als gewerkte dagen.

2.3. Belanghebbende en de Y-bank hebben een op 9 maart 1992 gedagtekend "consultancy agreement" gesloten, waarin - voor zover hier van belang - het volgende is bepaald:

"(1) Y Bank N.V. whose registe-red office is at Q, The Netherlands ("Y- Bank"); and

(2)T domiciled at Z, The Netherlands ("the Assignment Coordinator")

WHEREAS:

(A) Y Bank and Bank Gd have agreed to participate in the Polish Financial Institutions Development Project with the objective of facilitating a rapid and efficient transition by Bank Gd towards becoming a competitive commercial bank operating in a market environment

(B) To this end Bank Gd and Y Bank have agreed to form a professional relationship under which Y Bank having more experience and skills in commercial banking has agreed to transfer its know-how in various banking areas through inter alia technical assistance and trai-ning to Bank Gd and thus upgrade the banking infra-structure professional competen-ce and skill levels of Bank Gd

(C) To facilitate the institutional development of its twinning partner Y Bank has submitted a proposal for technical assis-tance and training under the day-to-day direction of an as-signment coordinator which has been accepted by Bank Gd

(D) Accordingly Y Bank wishes to avail itself of the servi-ces of an assignment coordinator for the purpose of managing the Advisers on the institutional development programme for the Bank Gd and Mr T wishes to undertake that role upon the terms and conditi-ons hereinafter appearing

(...)

4. REMUNERATION AND CONDITIONS

(a) Remuneration for the performance of the Duties shall be at the rate of one thousand Guilders per day or part of a day completed by the Assignment Coordinator in the performance of the Duties as from 20 January 1992 it being understood that the Assignment Coordinator shall complete as a minimum eight working hours per chargeable working day on average during the term of assignment such working hours to include travel time within Poland neces-sary for the performance of the Services

(...)

(e) The number of working days for which the Assignment Coor-dinator shall charge Y Bank for his services in performing the Duties shall not exceed two hundred and ten days during each calendar year during the term of the assignment unless otherwise agreed by Y Bank

(f) The Assignment Coordinator shall be entitled to such unpaid leave of absence during the term of the assignment as he might reasonably wish to take provided that:

(i) such absence shall be at such time or times as Y Bank shall consider most convenient having regard to the require-ments of its engagement by Bank Gd and subject to prior consultation by Bank Gd; and

(ii) the Assignment Coordinator shall be in G for the performance of the Duties at least fifteen out of every twenty working days on avarage during the term of the assignment

5. REIMBURSABLE EXPENSES

(a) Y Bank shall reimburse expenses properly and reaso-nably incurred in connection with the performance of this Agreement as follows:

(...)

(ii) the cost of air travel (by business class) taken between The Netherlands and Poland (including the cost of any excess baggage or unaccompanied baggage) as follows:

(A) travel from The Netherlands to Poland at the start of the assignment and travel from Poland to The Netherlands at its termination; and

(B) return flights between G and Amsterdam for rest and recuperation purposes subject to a limit of one return flight every ten working days comple-ted during the term of his as-sign-ment

(...)

(b) The Assignment Coordinator shall submit itemised invoices for reimbursement of expenses to Y Bank month-ly in arrears which will be payable by Y Bank during the next following thirty Gd business days. Each reimbursement invoice shall be accompanied by relevant third party invoices or other supporting documentary evidence

(...)".

2.6. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

Bij het opleggen van deze aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende verplicht verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen aangezien hij niet gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid heeft verricht.

2.7. Belanghebbende heeft in 1992 van het GAK een nabetaling ten bedrage van fl. 6.362,= ontvangen, waarop fl. 2.126,= aan loonheffing is ingehouden. Daarnaast heeft hij in dat jaar een bedrag van fl. 3.467,= aan rente ontvangen.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Het geschil gaat over de vraag of belanghebbende in 1992 sedert het begin van zijn werkzaamheden in Polen op 20 januari van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen was uitgesloten op grond van artikel 10 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (tekst 1992; hierna: het Besluit).

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij hebben aangevoerd in de van hen afkomstige gedingstukken, en voor wat de Inspecteur betreft tevens in zijn pleitnota. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

3.3. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan het volgende - zakelijk weergegeven - toegevoegd:

- In het jaar 1992 heeft belanghebbende niet in Nederland gewerkt.

- Belanghebbendes werkzaamheden in Polen in 1992 hadden een regelmatig karakter en de onderbrekingen daarvan wegens verlof in Nederland zijn als normale onderbrekingen van be-langhebbendes arbeidspatroon aan te merken.

- De aan het slot van belanghebbendes aanvullend beroepschrift van 16 april 1996 bedoelde proceskosten bestaan uitsluitend uit de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.4. De Inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat hij het eens is met de stellingen van belanghebbende, hiervoor vermeld onder de eerste twee gedachtenstreepjes van punt 3.3.. Tevens heeft belanghebbende tijdens de zitting aangegeven dat hij niet langer het standpunt inneemt dat hij in 1992 niet in Nederland woonde, maar dat er van kan worden uitgegaan dat hij gedurende het gehele jaar 1992 in Nederland woonachtig was. Tenslotte heeft de Inspecteur verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

3.5. Belanghebbende concludeert - in zoverre in afwijking van zijn beroepschrift - tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot fl. 691,=, uitsluitend bestaande uit inkomstenbelasting. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil.

4.1. Het debat van partijen heeft zich in hoofdzaak gericht op de vraag of belanghebbende betaald verlof in de zin van artikel 10, tweede lid, van het Besluit had gedurende de dagen waarop hij zijn werkzaamheden in Polen onderbrak om zijn vrouw in Nederland te bezoeken. Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake was van betaald verlof. Zijn "consultancy agreement" wijst op het tegendeel, nu daarin een beloning is overeengekomen per gewerkte dag (artikel 4, onderdeel a) en daarnaast onder bepaalde voorwaarden recht is toegekend op onbetaald verlof (artikel 4, onderdeel f). Dit wordt niet anders doordat belanghebbende op grond van het "consultancy agreement" binnen bepaalde grenzen recht heeft op vergoeding van de kosten van zijn vliegreizen tussen Polen en Nederland (artikel 5, onderdeel a, aanhef en punt ii, aanhef en sub B). Gesteld noch gebleken is dat deze vergoedingen hoger waren dan de werkelijke kosten.

4.2. Het Hof heeft tevens stilgestaan bij de vraag of belanghebbende, ondanks zijn regelmatige verloven in Nederland, voldoet aan de vereisten van artikel 10, eerste lid, van het Besluit. Volgens deze bepaling is een ingezetene uitgesloten van de verzekering op grond van de volksver-zeke-ringswetten wanneer hij gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht. Een redelijke toepassing van het Besluit brengt mee dat deze bepaling mede van toepassing is op de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden regelmatig arbeid buiten Nederland verricht en deze werkzaamheden uitsluitend afwisselt met normale onderbrekingen van dit arbeidspatroon wegens nachtrust, weekends, feestdagen en vakantie. Deze uitleg sluit - afgezien van de termijn van drie maanden - aan bij de internationale sociale zekerheidsregelingen waaraan Nederland gebonden is, en doet daarmee recht aan de strekking van het Besluit (zie de nota van toelichting, Stb. 1989, 164, blz. 13 en blz. 25-26). Hij sluit tevens aan bij de regeling in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (artikel 12, tweede lid, onderdeel b). De toelichting bij artikel 12 van dit nieuwe besluit wijst er niet op dat in dit opzicht een materiële wijziging is beoogd ten opzichte van het Besluit uit 1989. Het Hof heeft laten meewegen dat een andere uitleg zou leiden tot het merkwaardige gevolg dat artikel 10 van het Besluit uit 1989 een dode letter zou blijven voor personen als belanghebbende, waarvan de arbeidsbeloning per gewerkt uur of per gewerkte dag wordt vastgesteld.

4.3. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbendes werkzaamheden in Polen in 1992 een regelmatig karakter hadden en dat de onderbrekingen daarvan wegens verlof in Nederland als normale onderbrekingen van belanghebbendes arbeidspatroon zijn aan te merken, zodat voldaan wordt aan de hiervoor onder 4.2 geformuleerde maatstaf. Het Hof zal partijen hierin volgen, nu niet is gebleken dat hun gemeenschappelijke standpunt gebaseerd is op een onjuist juridisch uitgangspunt.

4.4. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrag van de aanslag dan moet worden verlaagd tot fl. 691,=, uitsluitend bestaande uit inkomstenbelasting.

5. Proceskosten en griffierecht.

5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten. Belanghebbende heeft uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de hem door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is fl. 1.775,=.

5.2. Het beroep is gegrond, zodat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= dient te vergoeden.

6. Beslissing.

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak; vermindert de aanslag tot een ten bedrage van fl. 691,= aan inkomstenbelasting; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 1.775,= en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 75,= wordt vergoed.

Aldus vastgesteld te 's-Hertogenbosch op 15 april 1999 door M.W.C. Feteris, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 15 april 1999