Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AA7045

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/03351
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/03351

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer P te B tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te R van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 116.237,= onder verhoging van de belasting met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van fl. 89,= en is na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van 20 oktober 1995 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Terzake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 november 1997 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer S, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer F, beiden verbonden aan Administratiekantoor Z te Z, alsmede, namens de Inspecteur, de heer A, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Op deze zitting heeft de Inspecteur met toestemming van belanghebbende een kopie overgelegd van zijn beschikking van 22 maart 1996 waarbij de onderhavige aanslag ambtshalve is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van

fl. 102.364,=, met behoud van de overige elementen van deze aanslag.

Het Hof heeft in deze zaak op 26 november 1997 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 28 november 1997 aan partijen verzonden. Belanghebbende heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Terzake van dit verzoek heeft hij een recht van fl. 150,= voldaan.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de gedeeltelijk hiervan afwijkende verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren in 1941 en gehuwd, drijft samen met zijn echtgenote in de vorm van een vennootschap onder firma een onderneming welke zich onder meer bezig houdt met de exploitatie van speelautomaten. Tot de winst van deze vennootschap (hierna: de VOF) zijn belanghebbende en zijn echtgenote ieder voor de helft gerechtigd.

2.2. In het kader van haar bedrijfsuitoefening plaatst de VOF speelautomaten bij caf├ęs, restaurants en andere horeca-gelegenheden. Terzake van de plaatsing van die speelautomaten sluit zij met de desbetreffende ondernemers exploitatie-overeenkomsten, waarin onder meer is bepaald dat de opbrengsten van de automaten tussen de contracterende partijen naar een vooraf overeengekomen verhouding worden verdeeld. In de meeste gevallen is die verhouding 50 % - 50 %.

Ultimo 1993 had de VOF bij circa 60 horecagelegenheden in totaal 154 speelautomaten geplaatst.

2.3. Aan een aantal horecaondernemers verstrekt de VOF, eveneens in het kader van haar bedrijfsuitoefening, geldleningen, welke deze ondernemers aflossen uit het aan hen toekomende gedeelte van de opbrengst van de bij hen geplaatste speelautomaten.

2.4. Niet is in geschil dat een groot deel van de ondernemers bij wie de VOF speelautomaten heeft geplaatst, in het kader van strengere eisen op het gebied van milieu en geluidshinder binnen enkele jaren na het onderhavige jaar (1993) voorzieningen zal moeten treffen in de vorm van geluidsisolatie e.d. en dat een deel van deze ondernemers ten behoeve van de financiering daarvan een beroep op de VOF zal doen.

2.5. In verband met hetgeen onder 2.4 is vermeld, heeft de VOF ten laste van haar winst over het jaar 1993 een passiefpost gevormd van fl. 150.000,=. Dit bedrag is berekend als volgt: 30 (50% van de onder 2.2 vermelde circa 60 horecagelegenheden) x fl. 100.000,= (geraamde kosten van akoestische isolatie per horecagelegenheid) x 25% (geschatte bijdrage van belanghebbende in die kosten) x 1/5 (spreiding van de opbouw van de voorziening over de jaren 1993 tot en met 1997) is

fl. 150.000,=.

Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat het vormen van deze passiefpost is gebaseerd op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten) en niet op het bepaalde in artikel 9 van deze wet (hierna: de Wet).

De Inspecteur heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de berekening van evenvermeld bedrag van fl. 150.000,= als zodanig niet in geschil is.

2.6. Bij het vaststellen van de onderwerpelijke aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de onder 2.5 bedoelde reserve niet kan worden gevormd. Mede in verband hiermede heeft hij belanghebbendes belastbaar inkomen over het onderhavige jaar (1993) berekend als volgt:

aangegeven belastbaar inkomen fl. 38.722,=

geen reserve akoestische isolatie: 50% -

belanghebbendes aandeel in de VOF - van

fl. 150.000,= is fl. 75.000,=

minder dotatie voorziening dubieuze debiteuren:

50% van fl. 18.580,= is fl. 9.290,=

door deze correcties minder zelfstandigen-

aftrek fl. 2.300,=

door bovenstaande winstcorrecties hogere dotatie

aan de fiscale oudedagsreserve -/- fl. 9.075,=

vastgesteld belastbaar inkomen fl. 116.237,=.

2.7. Naar aanleiding van de uitspraak van dit Hof van 5 februari 1996, nr. 93/2350, inzake het door belanghebbende ingestelde beroep met betrekking tot zijn aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1988, heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag bij beschikking van 22 maart 1996 ambtshalve verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 116.237,= minus fl. 13.873,= (geen belaste periodieke uitkering in verband met het van toepassing zijn van de zogeheten saldo-methode) is

fl. 102.364,=, met behoud van de overige elementen van de aanslag.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft uitsluitend de vraag of het belanghebbende is toegestaan in het onderhavige jaar (1993) op de voet van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Wet met betrekking tot het door hem in de toekomst aan de onder 2.4 bedoelde ondernemers verstrekken van bijdragen in de kosten van het door hen aanbrengen van akoestische isolatie, een kostenegalisatiereserve te vormen.

Deze vraag dient naar de mening van belanghebbende bevestigend,

doch naar het oordeel van de Inspecteur ontkennend te worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

De onderhavige kostenegalisatiereserve is gevormd met het oog op het door hem in de jaren 1996 en volgende aan horeca-exploitanten verstrekken van bijdragen in de kosten van akoestische isolatie teneinde zijn lopende contracten met deze horeca-exploitanten tot gezamenlijke exploitatie van speelautomaten te behouden en te verlengen.

Horecabedrijven zijn onlosmakelijk verbonden met de bedrijfsuitoefening van de VOF.

Inmiddels heeft de VOF in het jaar 1996 aan twee horeca-exploitanten ieder een bijdrage van fl. 25.000,= verstrekt in de kosten van door hen getroffen dan wel te treffen akoestische isolatie. Hierdoor heeft de VOF deze ondernemers als "klant" behouden en heeft de VOF de door haar met deze ondernemers gesloten exploitatie-overeenkomsten als bedoeld onder 2.2 kunnen verlengen.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, met dien verstande dat uitsluitend aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Inspecteur:

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 46.943,= met behoud van de overige elementen van de aanslag, terwijl de Inspecteur, naar het Hof begrijpt, concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en handhaving van de aanslag zoals deze luidt na de ambtshalve door hem de dato 22 maart 1996 verleende vermindering.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de onderhavige kostenegalisatiereserve is gevormd met het oog op het door hem in de jaren 1996 en volgende aan horeca-exploitanten verstrekken van bijdragen in de kosten van akoestische isola-tie teneinde zijn lopende contracten met deze horeca-exploi-tanten tot gezamenlijke exploitatie van speelautomaten te behouden en te verlengen.

Deze, door de Inspecteur niet weersproken, verklaring laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat die door belanghebbende bedoelde bijdragen niet worden opgeroepen door belanghebbendes bedrijfsuitoefening in het onderhavige jaar of de hieraan voorafgaande periode, maar door belanghebbendes bedrijfsuitoefening in de jaren 1996 en volgende. Vorming van een kosten-egalisatiereserve in 1993, zoals door belanghebbende bepleit, is derhalve niet mogelijk.

4.2. Voor het geval het Hof tot zijn in 4.1 gegeven oordeel komt, is niet in geschil dat de aanslag zoals deze na de ambtshalve door de Inspecteur verleende vermindering luidt, moet worden gehandhaafd.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is - de omstandigheid dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd, staat geheel los van de inzet van de onderhavige procedure - en bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

5.2. De omstandigheid dat de Inspecteur hangende de onderhavige procedure de aanslag ambtshalve heeft verminderd en dat in verband hiermede de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd, betekent niet dat het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond is. Voor vergoeding door de Inspecteur van het door belanghebbende voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= is derhalve geen reden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak; en handhaaft de aanslag zoals deze luidt na de ambtshalve door de Inspecteur de dato 22 maart 1996 verleende vermindering.

Aldus vastgesteld op 12 maart 1999 door J.A. Meijer, voorzitter, G.J. van Muijen en P.J.M. Bongaarts, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 maart 1999