Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1999:AA6801

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/00949
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/00949

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van A te D tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te B van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1992.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 70.000,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 25 februari 1997 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede C, namens de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot partijen gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwis-seling plaatsgevonden, waarbij het bepaalde in de artikelen 14, lid 1, aanhef en onderdeel 2E, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken overeenkom-stige toepassing heeft gevonden.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid hun standpunten nogmaals mondeling toe te lichten.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is op 1 maart 1992 bij E belastingadviseurs te R in dienst getreden. Aan belanghebbende is door zijn werkgever met ingang van 4 maart 1992 een personenauto (een Ford Sierra; hierna: de auto) ter beschikking gesteld.

2.2. Belanghebbende en zijn levenspartner beschikten in het onderhavige jaar beiden over een eigen personenauto in privé.

2.3. Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden in het onderhavige jaar in R. De enkele-reisafstand woning-werk bedroeg ongeveer 43,5 km.

2.4. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar 177 dagen gewerkt, waarvan 174 op het kantoor te R. De eerste twee werkdagen heeft belanghebbende zijn eigen auto gebruikt. De eerste dag dat de auto ter beschikking stond heeft belanghebbende enkel voor de reis naar huis gebruik gemaakt van de auto.

2.5. Belanghebbende heeft 3 werkdagen besteed aan NOB-cursussen elders dan op het kantoor te R, te weten twee dagen in Utrecht en één dag in Zeist, naar welke cursusplaatsen hij met de auto is gereisd.

2.6. Belanghebbende heeft een kilometeradministratie bijgehouden, die per dag vermeldt:

- de datum;

- de beginstand en de eindstand van de kilometerteller op die datum;

- bij enkele data doel en adres van een reis op die dag;

- de perioden van ziekte en verlof.

2.7. Het totaal aantal verreden kilometers in de periode dat de auto in het onderhavige jaar aan belanghebbende ter beschikking stond, bedraagt 15.529.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1.000 km voor privé-doeleinden is gebruikt. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd. Belanghebbende heeft ter zitting laten varen zijn grieven inzake schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

De Inspecteur heeft ter zitting toegezegd ambtshalve de bijtelling te verlagen tot 20% van de catalogusprijs van de auto, indien uit een te verwachten arrest van de Hoge Raad volgt dat de bijtelling tot 20% moet worden beperkt.

Belanghebbende heeft vervolgens zijn grief dienaangaande ter zitting laten varen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 60.000,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. In aanmerking genomen dat de auto hem in het onderhavige jaar nagenoeg 10 maanden ter beschikking stond, dient belanghebbende aan te tonen dat hij de auto voor minder dan 833 km voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende in dit bewijs geslaagd. Het Hof hecht geloof aan de stellige verklaring van belanghebbende dienaangaande en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Uit de in 2.3 en 2.4 vermelde feiten volgt dat belanghebbende 343 maal de enkele-reisafstand woning-werk heeft afgelegd. Dit betekent dat van de in totaal met de auto verreden 15.529 km in ieder geval ongeveer 14.920,5 km niet voor privé-doeleinden zijn verreden. Het Hof verwerpt de door de Inspecteur in dit verband geopperde mogelijkheid dat belanghebbende meer dan twee dagen voor het woon-werkverkeer van zijn eigen auto gebruik heeft gemaakt; die mogelijkheid is zo onwaarschijnlijk dat zonder nadere aanwijzingen daarvoor daaraan geen betekenis kan worden toegekend. Een en ander gevoegd bij de omstandigheid dat belanghebbende met de auto ook nog als zakelijk aan te merken ritten heeft gemaakt naar Utrecht en Zeist, dwingt tot de gevolgtrekking dat de privé-ritten met de auto ruimschoots onder de 833 km blijven. Derhalve kan in het midden blijven of de overgelegde kilometeradministratie een betrouwbare rittenadministratie is.

4.2. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat overeenkomstig zijn conclusie moet worden beslist.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op een bedrag van fl. 225,-- voor de reis- en verletkosten van belanghebbende.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 60.000,-, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van fl. 75,--, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 225,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 15 oktober 1998 door P.J. van Amersfoort, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 1 april 1999