Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1998:AB0825

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/03737
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/7.5 met annotatie van Redactie
FutD 1998-0948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/3737

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van

X, wonende te Z, België tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de rijksbelastingdienst te Y (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993, onder nummer 0000.00.000.P37 een navorderingsaanslag in de inkomstenbe-lasting en premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 75.879,==, zonder verhoging.

De navorderingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 1 juli 1997, gehouden te A. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur bij zijn pleitnota één bijlage overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en de aanvullende verklaringen van partijen ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is werktuigbouwkundig ingenieur en hij vult zelf zijn aangiftebiljet in.

2.2. Belanghebbendes primitieve aanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over 1992 en 1993 dragen als dagtekening april 1994 respectievelijk juli 1995. Deze aanslagen zijn geregeld door een ervaren aanslagregelaar. Die heeft bij het regelen van beide aanslagen nagelaten bij het invullen van het vaststellingsformulier het cijfer drie op de daartoe bestemde plaats achter 'geen ib/geen ph' in te vullen.

Dit had tot gevolg dat een en ander beide malen verkeerd werd ingetoetst. De Inspecteur heeft het als gevolg daarvan over 1993 te weinig gehevene ad f. 5.874,== nagevorderd door middel van de hierboven onder 1 vermelde navorderingsaanslag.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht heeft nagevorderd.

Belanghebbende ontkent zulks. De Inspecteur beantwoord die vraag bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt daartoe onder meer dat de primitieve aanslag de indruk wekte te berusten op een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur. Mocht blijken dat sprake was van een tik- of schrijffout of daarmee gelijk te stellen vergissing dan was deze vergissing naar de mening van belanghebbende niet aanstonds na ontvangst van de primitieve aanslag als zodanig kenbaar.

4.2. Het betreft volgens de Inspecteur geen beoordelingsfout maar een invulfout en dus een schrijf- en tikfout, die aanstonds als zodanig voor belanghebbende kenbaar was. Hij stelt verder dat een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt doorkruist doordat belanghebbende bij ontvangst van de primitieve aanslag te kwader trouw werd in de zin van artikel 16, lid 1, van de Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR) reeds omdat de fout, naar de Inspecteur stelt, voor belanghebbende meteen bij ontvangst van de primitieve aanslag kenbaar was.

4.3. Belanghebbende heeft gesteld in fiscaal opzicht een relatieve leek te zijn. De Inspecteur heeft dit betwijfeld maar niet met argumenten ontkend. Het Hof gaat derhalve hierna uit van de juistheid van die stelling van belanghebbende.

Terecht verwijst belanghebbende voor zijn stelling dat hem niet kenbaar was dat in 1992 en 1993 niet naar een tarief van 38% maar van 25% werd geheven, er verder op, dat hij over 1991 ook een teruggave heeft ontvangen, dat hij mede gezien zijn vermogenspositie het te weinig geheven bedrag niet als omvangrijk behoefde te beschouwen en dat teruggave over 1993 de indruk dat het in 1992 en 1993 goed was gegaan, bevestigde.

Naar de mening van het Hof was de gemaakte fout daarom niet als zodanig voor belanghebbende kenbaar. Aannemelijk is derhalve dat de primitieve aanslag bij belanghebbende de indruk heeft gewekt te berusten op een vaststelling van de aanslag door de Inspecteur, zodat belanghebbende terecht bescherming zoekt van het bij hem daardoor opgewekte vertrouwen. De vraag is vervolgens of kwade trouw hem daarbij hindert.

4.4. Van kwade trouw in de zin van artikel 16, lid 1, AWR is blijkens Hoge Raad 11 juni 1997, nr. 32 236 slechts sprake wanneer een belastingplichtige aan de Inspecteur opzettelijk de juiste gegevens onthoudt of opzettelijk onjuiste gegevens verstrekt. Opzet is niet gesteld en daarvan is evenmin gebleken. Belanghebbende was er narde mening van het Hof niet op gericht de Inspecteur de gemaakte fout te laten begaan.

Onjuist is derhalve de stelling dat belanghebbende te dezen te kwader trouw zou zijn in de zin van artikel 16, lid 1, AWR.

Belanghebbende wordt daarom, ongehinderd door kwade trouw, tegen navordering beschermd door het blijkens 4.3. door de Inspecteur bij hem opgewekte vertrouwen.

4.5. De navorderingsaanslag is blijkens het in 4.3. en 4.4. overwogene ten onrechte opgelegd. In het midden kan dan blijven of de opgelegde aanslag werkelijk overeenkomt met de aanslag zoals de Inspecteur die beoogde vast te stellen.

4.6. Het gelijk is op grond van al het in 4.5. overwogene aan de zijde van belanghebbende. De navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, een en ander volgens het puntenstelsel van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Het Hof stelt deze kosten vast op 1 punt maal ¦ 710 maal wegingsfactor 1 ofwel ¦ 710,==. Ter zitting is tevens behandeld de met de onderhavige zaak samenhangende zaak van belanghebbende met kenmerk nr. 95/3736. Daarom spreekt het Hof in de onderhavige zaak een proceskostenveroordeling uit van 1/2 maal f. 710,== is f. 355,==.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vernietigt de navorderingsaanslag, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ¦ 75, veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ¦ 355,== en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 10 maart 1998 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarne-mend griffier en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 10 maart 1998