Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1998:AA9146

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/03033
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/3033

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer R. te Vn tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te E van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

De mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 4 maart 1998 te Eindhoven. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. M., verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 18 maart 1998, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing.

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 60.864,=; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 75,= wordt vergoed.

De gronden.

(1) Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de door hem opgevoerde kosten van bezoek vergaderingen ad 40 x fl. 15,= is fl. 600,=, bestaan uit kosten van voedsel, drank en genotmiddelen. Dergelijke kosten behoren ingevolge het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst met ingang van 1 januari 1990) niet tot de aftrekbare kosten.

(2) Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard zich niet te beroepen op de in het bezwaarschrift bedoelde, vóór "Oort" met de Inspecteur gemaakte afspraken.

(3) Aan het door belanghebbende gestelde, in het kader van de aanslagregeling voor het jaar 1991 gevoerde telefoongesprek kan belanghebbende slechts dan vertrouwen ontlenen indien belanghebbende ook in dat gesprek heeft verklaard dat de onderhavige kosten bestaan uit kosten van voedsel, drank en genotmiddelen. Het voor het jaar 1991 in aftrek toelaten van dergelijke kosten is echter zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende hieraan geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen. Ook aan het door de Inspecteur op dit punt zonder meer volgen van belang-hebbendes aangiften voor de jaren 1992, 1993 en 1994 kan belanghebbende, mede gelet op het vorenstaande, geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de onderhavige aftrekpost in die aangiften uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld.

(4) Gelet op hetgeen onder (1), (2) en (3) is vermeld en overwogen, is het gelijk met betrekking tot de onder (1) bedoelde kosten aan de zijde van de Inspecteur.

(5) Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken verklaard dat de totale kosten van de sportschool circa fl. 600,= bedragen en dat het door hem hiervan in aanmerking genomen gedeelte ad fl. 450,=, het gedeelte van dat bedrag is dat is toe te rekenen aan het aldaar door hem beoefenen van vechtsporten als judo en jiu jitsu. Voorts heeft belanghebbende ter zitting onweersproken verklaard dat dergelijke vechtsporten deel uitmaken van de politie-opleiding. Mede gelet op dit laatste is het Hof van oordeel dat uitgaven gedaan door een politieman ten einde zijn vaardigheid in vechtsporten als de vorengenoemde op peil te houden, zijn aan te merken als uitgaven welke binnen de grenzen der redelijkheid ter wille van een behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking zijn gedaan. Met name is het Hof van oordeel dat dergelijke uitgaven objectief gesproken tot de behoorlijke vervulling van die dienstbetrekking kunnen bijdragen. Voorts is het Hof op grond van een aan zijn kennis van in het dagelijks leven voorkomende gebeurtenissen ontleende ervaringsregel van oordeel dat niet kan worden gezegd dat personen die soortgelijke inkomsten als die van belanghebbende niet genieten doch voor het overige in dezelfde omstandigheden als belanghebbende verkeren kosten voor het beoefenen van sporten als judo en jiu jitsu plegen te maken. Wèl kan op grond van diezelfde ervaringsregel worden gezegd dat dergelijke personen tot een bedrag van (in ieder geval) fl. 150,= (overige kosten sportschool) plus fl. 614,= (reiskosten sportschool) is fl. 764,= kosten plegen te maken voor het al dan niet in het kader van een sportschool door middel van actieve sportbeoefening op peil houden van hun algemene lichamelijke conditie. Nu belanghebbende de reiskosten naar de sportschool ook zou hebben gemaakt indien hij daar uitsluitend zijn algemene lichamelijke conditie op peil hield en niet mede zijn vaardigheid in judo en jiu jitsu, brengt het vorenstaande met zich dat het vorenvermelde bedrag van fl. 450,= wèl als aftrekbare kosten in aanmerking is te nemen en het vorenvermelde bedrag van fl. 614,= niet.

(6) Gelet op hetgeen onder (4) en (5) is overwogen, dient het vastgestelde belastbare inkomen ad fl. 61.314,= met fl. 450,= te worden verminderd tot fl. 60.864,=.

(7) Beide partijen hebben ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

(8) Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Dit brengt, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de onder (7) genoemde wet, met zich dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 75,= dient te vergoeden.

(9) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 18 maart 1998 door J.A. Meijer, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 31 maart 1998