Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1998:AA6054

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-1998
Datum publicatie
03-12-2001
Zaaknummer
96/01528
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/1130
NTFR 2000/689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 96/1528

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer E te B, tegen de uitspraak van de directeur van Stadsbedrijven van de gemeente H(hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting de dato 15 maart 1996, aanslagnummer 000000.0000.0000.

1. Ontstaan en loop van het geding

De naheffingsaanslag bedraagt fl. 66,50, bestaande uit

fl. 1,50 aan parkeergeld en fl. 65,- aan kosten.

Na bezwaar heeft de ambtenaar de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 17 december 1997 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede drs. K, namens de ambtenaar.

De ambtenaar heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft op 15 maart 1996 zijn auto geparkeerd in de parkeergarage aan de Wolvenhoek te

's-Hertogenbosch, op vaknummer 104. Om 11 uur 31 is door de parkeercontroleur geconstateerd dat voor dat vak geen parkeerbelasting was betaald.

2.2. De parkeercontroleur heeft toen een naheffingsaanslag opgelegd, bestaande uit fl. 1,50 parkeergeld en fl. 65,- aan kosten, samen fl. 66,50.

2.3. Belanghebbende heeft een kopie van een parkeerkaartje overgelegd, dat op 15 maart 1996 geldig was van 10 uur 49 tot 12 uur 49. Op het kaartje staat vak 103 vermeld. In het ter plaatse geldende systeem dient het kaartje als herinnering en hoeft het niet achter de voorruit te worden gelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of belanghebbende het parkeergeld reeds om 10 uur 49 had betaald voor een periode van 2 uren en zo ja, of deze betaling dan geldig is ondanks het feit dat belanghebbende vak 103 heeft ingetikt op de automaat maar in feite op vak 104 heeft geparkeerd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de ambtenaar ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd. Ter zitting heeft de ambtenaar nog wel gezegd dat hij bij gebrek aan wetenschap ontkent dat belanghebbende heeft betaald.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag.

De ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij met het ter plaatse geldende systeem onbekend was. Hij hoefde hier geen kaartje uit een automaat te trekken om een slagboom omhoog te laten gaan. Hij parkeerde zijn auto en informeerde toen bij een persoon in een portiersloge wat hij moest doen en die verwees hem naar een automaat op geringe afstand. Belanghebbende bekeek vanaf de automaat zijn vaknummer en maakte vervolgens een vergissing door 103 in plaats van 104 in te tikken. Belanghebbende heeft volgens hem het parkeergeld wel betaald. In het vertoogschrift en de pleitnota heeft de ambtenaar in het midden gelaten of dit verhaal juist was, omdat hij zich op het standpunt stelde dat in dat geval toch voor het verkeerde vak was betaald.

4.2. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met het overleggen van de kopie van het parkeerkaartje en zijn verklaring op welke wijze hij het kaartje heeft verkregen, aan welke verklaring het Hof geloof hecht, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor de periode van 10 uur 49 tot 12 uur 49 op 15 maart 1996 parkeergeld heeft betaald.

4.3. Het is uiteraard niet onmogelijk dat belanghebbende het kaartje van iemand anders heeft gekregen of dat hij het van de grond heeft opgeraapt of iets dergelijks, al heeft het Hof hiervoor geen enkele aanwijzing. De conclusie is derhalve dat het systeem niet waterdicht is. Het gaat het Hof echter te ver om het risico hiervan voor rekening van belanghebbende te brengen.

4.4. Naar het oordeel van het Hof is het, gelet op HR 8 januari 1997 (BNB 1997/68c*; Belastingblad 1997/277) voor de vraag of een naheffingsaanslag kan worden opgelegd relevant of de verschuldigde belasting al dan niet is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Het indrukken van het verkeerde vaknummer ziet het Hof als een vergissing gemaakt bij het doen van aangifte. Het onderhavige geval is wat dat betreft vergelijkbaar met de uitspraak van dit Hof van 10 juli 1996 (Belastingblad 1997/420), waarin een parkeerder niet binnen de in dat geval afgestelde tijd van 20 seconden het vaknummer intikte, hetgeen niet aan het aannemen van een geldige betaling in de weg stond. Ook de onderhavige betaling merkt het Hof aan als een geldige betaling.

4.5. Het gelijk in het geschil is derhalve aan de zijde van belanghebbende, zodat moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Belanghebbende heeft ter zitting medegedeeld geen veroordeling van de ambtenaar in de proceskosten te vorderen. Het Hof zal daartoe dan ook niet overgaan.

6. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag en gelast voorts dat de ambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van fl. 40,-.

Aldus vastgesteld op 9 februari 1998 door J. Huiskes, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, waarne-mend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 9 februari 1998