Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:1997:AB0728

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/01669
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 94/1669

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X, destijds wonende te Z tegen de uit-spraak van het hoofd van de eenheid Particu-lieren/Ondernemingen van de rijksbelasting-dienst te Y (hierna: de Inspec-teur) op haar be-zwaar-schrift betref-fende haar aanslag in de inkomstenbelas-ting/premie volksver-zekerin-gen voor het jaar 1992.

1. Ontstaan en loop van het geding.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 44.279,--.

Na tijdig bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en regelmatig in beroep gekomen.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van 4 juni 1996 te 's-Hertogen-bosch. Aldaar zijn toen ver-schenen en gehoord belanghebbendes vader, als gemachtigde van belanghebbende, en de Inspecteur.

Belanghebbendes gemachtigde heeft op deze zitting een pleitnota voorgedragen en deze met een volmacht overgelegd.

Na het sluiten van de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende ter nadere toelichting van zijn standpunt het Hof een brief gezonden van 4 juni 1996, ingekomen ter griffie op 12 juni 1996, met één bijlage. Het Hof zal op deze brief met bijlage, als vallen-de buiten de procesorde, geen acht slaan.

De inhoud van alle genoemde stukken, met de bijlagen, wordt geacht hier te zijn ingevoegd, met uitzondering van genoemde buiten de proces-orde vallende brief van 4 juni 1996 met bijlage.

2. Feiten.

Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen hen het volgende vast.

2.1. Belanghebbendes vader heeft blijkens een in kopie tot de stukken behorende polis van juni 1990 met A N.V. de volgende overeenkomst van levensverzekering gesloten:

soort verzekering direct ingaande tijdelijke lijfrente

verzekerde levens de vader en diens echtgenote

ingangsdatum 1 juni 1990

einddatum 1 juni 1995

verzekerd bedrag bij in

leven zijn van één of twee

verzekerden fl. 4.578,-- per kwartaal

koopsom fl. 76.502,-- waarvan

fl. 59.38-6,-- voldaan door

expiratie kapitaalver-

zekering met lijfrenteclausule en

fl. 17.116,-- door

betaling

begunstigden 1 de vader

2 diens echtgenote.

2.2. Volgens een in kopie tot de stukken behorende "overeenkomst van koop en verkoop van vruchtgebruik", ondertekend 1 juni 1990, heeft belang-hebbendes vader aan belanghebbende en haar broer B, elk voor de helft, verkocht het vruchtgebruik van het onder 2.1 omschreven stamrecht, tot het einde van de looptijd van dit stamrecht, voor de prijs van fl. 44.000,-- voor elk van de kopers.

Belanghebbende en haar broer waren ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst binnenlands belastingplichtige en het verkregene maakte geen deel uit van het vermogen van een voor hun rekening gedreven onderneming.

2.3. Volgens een aanhangsel bij de onder 2.1 bedoelde polis gold overeenkomstig schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer ingaande 31 juli 1990 de volgende begunstiging:

1. belanghebbende en haar broer, ieder voor 50%

2. belanghebbendes vader

3. de weduwe van de vader.

2.4 Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting over het

onder-ha-vige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van fl. 35.123,--. Hierin is verwerkt

- als inkomsten: genoten uitkeringen volgens de onder 2.1 bedoelde po-lis fl. 9.156,--

- als aftrekbare kosten: gedeelte van de prijs genoemd onder 2.2 fl. 9.156,--.

2.5. De bij de bestreden uitspraak gehandhaafde aanslag steunt op de volgende berekening:

aangegeven belastbare inkomen fl. 35.123,--

bij: aankoopsom recht van vruchtgebruik

niet aftrekbaar fl. 9.156,--

belastbaar inkomen fl. 44.279,--.

3. Geschil.

In geschil is het antwoord op de volgende twee vragen.

3.1. Heeft de Inspecteur de onder 2.5 genoemde correctie op de aftrekbare kosten ad fl. 9.156,-- al dan niet terecht aangebracht?

3.2. Brengt, zo vraag 3.1 bevestigend moet worden beantwoord, een redelijke wetstoepassing mee dat de onder 2.4 genoemde genoten uitkeringen ad fl. 9.156,-- onbelast worden gelaten?

Vraag 3.1 wordt door belanghebbende ontkennend en door de Inspec-teur bevestigend beantwoord. Belanghebbende beantwoordt vraag 3.2 bevesti-gend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag, naar het Hof begrijpt, ontkennend.

4. Standpunten van partijen.

Voor de standpunten van partijen wordt verder verwezen naar de van ieder van hen afkomstige stukken.

Partijen hebben hieraan ter zitting geen nieuwe stellingen of argumen-ten toegevoegd, met dien verstande

- dat partijen ter zitting van mening bleken te verschillen over de vraag wie gerechtigd zou zijn geworden tot de uitkeringen krachtens de polis ingeval belanghebbende vóór de einddatum van de verzeke-ring zou zijn komen te overlijden,

- dat de Inspecteur tegenover belanghebbendes pleitnota heeft gesteld dat hetgeen voor belanghebbendes vader voor wat betreft de polis nog restte nadat de onder 2.2 bedoelde overeenkomst was gesloten, geen reële waarde had,

- dat de Inspecteur heeft verklaard dat, anders dan in belangheb-ben-des pleitnota wordt gesuggereerd, de bestreden correctie niet werd aangebracht omdat de begunstiging van de polis door belangheb-bendes vader is veranderd maar omdat belanghebbendes vader het vruchtgebruik heeft vervreemd en daarbij belastingheffing volgens het wettelijke systeem achterwege moest blijven, en

- dat de Inspecteur de inhoud van belanghebbendes pleitnota ook voor het overige heeft bestreden.

5. Beoordeling van het geschil.

ad 3.1.

5.1. Volgens artikel 31, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990) behoort tot de inkomsten uit vermogen mede de waarde welke in het economische verkeer kan worden toegekend aan een stam-recht, zodra dit recht wordt beleend, verpand of vervreemd.

Deze bepaling geldt evenwel volgens de tweede volzin van lid 5 voor-noemd in geval van vervreemding niet indien de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en het verkregen stamrecht geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming.

Voor de toepassing van lid 5 is, zoals is af te leiden uit de geschie-denis van de totstandkoming van deze bepaling, het vestigen of ver-vreemden van het recht van vruchtgebruik van een stamrecht aan te merken als het vervreemden van dat stamrecht.

5.2. Uit 5.1 volgt, in aanmerking genomen hetgeen is overwogen onder 2.2, dat de Inspecteur er terecht van uit gaat dat ter zake van de onder 2.2 genoemde overeenkomst belastingheffing bij be-langhebbendes vader over de waarde van het onderhavige stamrecht niet mogelijk was.

5.3. Het systeem van de genoemde wet en de bedoeling van de wetge-ver brengen dan, anders dan belanghebbende verdedigt, mee de door belang-hebben-de ter zake van de verkrijging van het vruchtgebruik van het stam-recht betaalde koopprijs niet op de voet van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1992) als af-trekbare kosten in aanmerking te nemen.

Hieraan doet het bepaalde in artikel 36, lid 9, van deze wet niet af, nu deze bepaling geen uitbreiding beoogt te geven aan de wer-king van artikel 35 van deze wet; vergelijk in dit verband het arrest van de

Hoge Raad van 28 juni 1995, BNB 1995/293, overweging 3.10.

5.4. Het gelijk met betrekking tot vraag 3.1 is derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

ad 3.2.

5.5. Ook de tweede in geschil zijnde vraag moet worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin.

Het voor het onderhavige jaar geldende wettelijke systeem heeft namelijk in zoverre de kenmerken van een objectief systeem dat het, anders dan belanghebbende kennelijk meent, meebrengt dat belasting-heffing ten name van belanghebbende over de haar toekomende lijf-rentetermijnen niet afhangt van de beantwoording van vraag 3.1 maar deze belastingheffing ten name van belanghebbende haar rechtvaardi-ging vindt in de omstandigheid dat belanghebbendes vader, die de lijfrenteverzekering en de daaraan voorafgaande kapitaalverzekering met lijfrenteclausule heeft gesloten, het onder 2.1 bij "koopsom" genoemde bedrag ad fl. 17.116,-- en de premies ter zake van die kapitaalverzekering op zijn inkomen in mindering heeft kunnen brengen en hij ter zake van de vestiging/vervreemding van het vruchtgebruik, zoals is overwogen onder 5.2, niets in zijn inkomen heeft behoeven op te nemen.

6.Proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proces-kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administra-tieve recht-spraak belastingzaken.

7. Beslissing.

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 29 juli 1997 door mr. A. Stoop, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordig-heid van mr. D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Met ontvangstbevestiging in afschrift aan partijen verzonden op: 29 juli 1997